In de media van 2004 en eerder.

Hieronder vindt u een overzicht van artikelen zoals die in diverse kranten zijn gepubliceerd in 2004 en eerder.

Er is één wereld of er is geen wereld
PZC, 3.11.2004 [door Ernst Jan Rozendaal]

MIDDELBURG - Het liefst was ze niet uit bed en niet uit haar huis gekomen. Nooit meer, was haar eerste gedachte. Zozeer was schrijfster Ellen Ombre van slag toen ze gisterochtend hoorde dat Theo van Gogh was vermoord. Het nieuws zette de toon van haar dag.

Maar uiteindelijk was ze blij dat ze wel haar bed was uitgekomen, wel haar Amsterdamse huis was uitgegaan, naar Middelburg nog wel, voor een literaire lezing.
Samen met musicus Ronald Snijders (Paramaribo, 1951) was Ombre (Paramaribo, 1948) te gast in de Zeeuwse Bibliotheek op een avond die in het teken stond van het Zeeuwse slavernijverleden. Een onderwerp dat alles te maken heeft met de multiculturele samenleving en dus ook met de actualiteit van gisteren.

Negerjood
Ombre las voor uit haar recente roman Negerjood in moederland. Ze had niet de meest opbeurende passages uitgekozen, verontschuldigde ze zich. Dat had alles te maken met de toon die gisterochtend was gezet. Het boek gaat over Hanna Dankerlui, van wie de vader een zwarte Surinamer is en de moeder afstamt van Sefarden die zich in de zeventiende eeuw in Suriname vestigden. „De Surinamers waren boos dat ik het woord neger gebruikte“, vertelde Ombre, „en de joden dat ik ze in een kwaad daglicht stelde.“ Zo merkte een joodse vriend in de Verenigde Staten op dat het onmogelijk was dat joden slaven hielden, zoals ze in haar boek beschrijft. „De joden hebben het slachtofferschap zo naar zich toe getrokken, dat hij zich dat niet kon voorstellen.“

Gecompliceerd
Ombre heeft dergelijke dingen niet verzonnen en zeker niet opgeschreven om te shockeren. Met haar boek wil ze laten zien hoe gecompliceerd het verhaal van de slavernij is. Het is te simpel om de West-Indische Compagnie als enige dader aan te wijzen.

Minachting
Afrikaanse stammen lokten onderlinge oorlogen uit om krijgsgevangen te maken die ze aan de Nederlanders konden verkopen, vertelde ze. In Benin kwam ze mensen tegen die zoveel minachting hadden voor Afro-Amerikanen met Nike-petjes op dat ze opmerkten: „Blij dat wij de boot hebben gemist.“ Nog steeds zijn ze ervan overtuigd dat het minderwaardige mensen waren die als slaaf werden verkocht.
Ombre vergeleek de deportatie van twaalf miljoen mensen uit Afrika met de diaspora van de joden. „Steeds meer mensen leven in een ander land dan waar ze vandaan komen. Ze krijgen een meervoudige identiteit. De diaspora is voor mij een metafoor voor de voortschrijdende culturele versmelting.“ De vermenging van culturen blijft een thema, toen en nu, maakte Ombre duidelijk. De gebeurtenissen van gisteren zijn daar niet los van te zien. „Er is één wereld of geen wereld en dit is een heel gecompliceerde wereld.“
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Zeeuws Archief brengt Suriname in beeld
PZC, 19.10.2004

MIDDELBURG - In het Zeeuws Archief is vanaf vandaag de expositie Suriname in beeld te zien. Dit is een activiteit in het kader van het Jaar van het Zeeuwse Slavernijverleden. De foto-tentoonstelling sluit aan op de nog lopende expositie Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden. Tot 31 december zijn beide tentoonstellingen samen te bezichtigen.

Waar het bij de reeds lopende tentoonstelling gaat om de slaven van weleer, staan bij Suriname in Beeld de nakomelingen van die generatie centraal. De foto’s brengen het dagelijkse leven in beeld, waarin het slavernijverleden nog duidelijk zichtbaar is. Zo is er een foto van een Surinaamse vrouw, staande voor de poort van Fort Zeelandia. Op dit militaire terrein werden ooit haar tot slaaf gemaakte voorouders gestraft. De foto’s van Suriname in beeld komen uit het archief van de Stichting Suriname Jaarkalender. Deze stichting brengt elk jaar een kalender uit met als doel een bijdrage te leveren aan een positieve beeldvorming over Suriname en haar bewoners. Tot en met 31 december, de einddatum van de expositie, is de kalender van 2005 te koop in het Zeeuws Archief. „We willen met de expositie en de kalender laten zien hoe mooi de Surinaamse mensen zijn en hoe indrukwekkend het land is. Suriname is meer dan corruptie, om maar een negatief beeld te noemen. Daarnaast hebben de foto’s te maken met het slavernijverleden, waar in de andere expositie uitgebreid aandacht aan besteed wordt“, zegt Cor de Lange, medewerker van de stichting. „Ons tweede doel van de expositie is het ondersteunen van kleinschalige projecten in Suriname. Dat doen we met de opbrengst van de kalenderverkoop.“

Nieuwe doelgroep
Volgens Ingrid Leeftink, educatiemedewerkster van het Zeeuws Archief, haalt het slavernij-thema een hele nieuwe doelgroep naar het Hofplein. „Ontzettend veel Surinamers zijn al komen kijken naar de expositie Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden. Normaal gesproken is er voor hen weinig te vinden in het archief, maar dit heeft betrekking op hun geschiedenis. Niet alleen met het blanke, maar ook met het zwarte verhaal. Ze zijn er erg enthousiast over, dus ik verwacht dat we bij Suriname in beeld naast Nederlanders ook weer veel Surinamers mogen verwelkomen.“
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Stille getuigen van slavernij 
Trouw, 25.9.2004 [rubriek wandeltochten in de zaterdagbijlage, door Erik van Bostelen]

MIDDELBURG - ‘Als ik mijzelf als een Europeaan beschouw, kan ik zeggen dat mijn lijden groot is geweest. Maar wanneer ik mijn lot vergelijk met dat van de meeste van mijn landgenoten, zie ik mezelf als een gunsteling van de hemel...’ Dat zijn woorden van Olaudah Equiano, een Afrikaan die erin slaagde zichzelf in de tweede helft van de 18e eeuw vrij te kopen uit de slavernij. Hij is één van de historische figuren die in de tentoonstelling ‘Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden’ de littekens uit dat verleden voor de bezoeker blootlegt.

De expositie van het Zeeuws Archief in Middelburg vormt de inleiding tot een wandeling langs een reeks van monumentale gebouwen in de Zeeuwse hoofdstad: de slavernijroute. De stille getuigen van de slavenhandel wijzen de wandelaar tijdens de route terug naar de glorietijd van de grote Nederlandse handelsbedrijven, zoals de West-Indische Compagnie (WIC), maar vooral van de Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC).

Om ook de schaduwkant van die tijd goed te begrijpen kun je, voordat je aan de wandeling begint, het beste eerst de expositie bekijken. De historische achtergrondinformatie die je daar krijgt, geeft de monumenten meer betekenis en kleur. De wandeling is opgezet als een speurtocht en is in eerste instantie voor kinderen gemaakt, maar ook leerzaam voor volwassenen.

De tocht begint na een korte kennismaking met de ontdekker van Paaseiland, Jacob Roggeveen, bij de ingang van het archief. Lopend over de kasseien van de smalle, kromme straten in het centrum van de stad wordt al snel duidelijk dat Middelburg een indrukwekkende geschiedenis heeft. De voorname gevels van de herenhuizen in de Lange Noordstraat zijn daarvan een bewijs. Achter één van die gevels (nr. 31) woonde zo'n vier eeuwen geleden de staatsman en schrijver Jacob ‘vadertje’ Cats, bekend van zijn opvoedkundige gedichten. Een gedenksteen herinnert nog aan zijn verblijf daar. Roggeveen woonde overigens in dezelfde straat, maar later in de eeuw en op nr. 37.

Vanaf de Lange Noordstraat leidt de route je door de Bogardstraat en daar doemt langzaam de imposante abdij uit de 12e eeuw voor je op. Eerst laat de speurtocht je echter stilhouden bij het commerciehuis tegenover de abdij, waar de directeuren van de MCC zetelden. Zij stelden hier de instructies op voor de grootschalige verscheping van slaven over de Atlantische oceaan. Tussen 1732 en 1803 zijn door deze compagnie ruim 27000 slaven naar Amerika gebracht. Duizenden levens werden door beslissingen in dit gebouw ontwricht. Originele documenten van de MCC te zien op de expositie getuigen daarvan. Nu huist de kunstuitleen in het pand.

Dan is het tijd voor de abdij aan de overkant. Door de serene rust op het grote abdijplein zou het je nauwelijks verbazen als je een groepje monniken in pijen en met een vrome uitdrukking op het gezicht tegen het lijf liep. Maar sinds 1574 heeft dit unieke gebouw met twee kerken geen religieuze functie meer en heeft het wereldlijk bestuur er zijn intrek genomen.

De monniken waren er al niet meer bij toen in 1596 op het plein een honderdtal vrijgelaten slaven aan de bevolking van Middelburg werd ‘getoond’. De Afrikanen waren afkomstig van een buitgemaakt Portugees schip, maar de burgemeester van Middelburg verbood dat zij als slaaf werden verkocht. In de Nederlanden zelf bestond namelijk geen slavernij. De Middelburgers konden hen wel in dienst nemen. Wat er precies met deze Afrikanen is gebeurd wordt nu door het Zeeuws Archief onderzocht.

Als je het abdijplein weer afloopt kan de Lange Jan je niet ontgaan. De toren, die getooid is met een vergulde kroon, is 90 meter hoog en dient voor voetgangers en fietsers over heel Walcheren als een baken. Zij kan worden beklommen, als je tenminste bereid bent de 207 treden te nemen.

Na de middeleeuwse rust van de abdij neemt de route je mee naar het moderne rumoer van de grootste winkelstraat in Middelburg, de Lange Delft. Het is officieel geen onderdeel van de wandeling, maar hier kun je zien dat de stad na de verwoestingen van de Tweede Oorlog in traditionele stijl is herbouwd. Geen huis is hetzelfde, een groot verschil als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld Rotterdam. Als je de Lange Delft uitloopt kom je op de Grote Markt, waar het prachtige stadhuis van de Vlaamse gebroeders Keldermans staat.

De slavernijroute slaat echter eerder linksaf door de St. Jansstraat richting de pakhuizen van de WIC en de MCC aan de binnenhaven. Achter de haven herinneren rustige straatjes als de Dokstraat nog aan het feit dat daar de oude werf van de MCC lag. In pakhuis De Hoop aan de Nieuwepoortstraat werden ivoor en goud uit Afrika en suiker en koffie uit West-Indië opgeslagen. Aan de overkant van de binnenhaven zie je aan de statige herenhuizen uit de 17e en de 18e eeuw dat deze handel Middelburg geen windeieren heeft gelegd.

Het einde van de speurtocht komt dan langzaamaan in zicht, maar niet voordat je de koepel van de Oostkerk uit de 17e eeuw hebt kunnen bewonderen. De kerk had in die tijd veel invloed, maar van de kansel werd over de slavernij geen éénduidige boodschap verkondigd. Sommige dominees waren tegen, anderen juist voor. De laatsten gebruikten de bijbel om de slavenhandel goed te praten. Zij haalden bijvoorbeeld het verhaal van Cham aan, één van de zonen van Noach, die met al zijn nakomelingen veroordeeld was tot eeuwige slavernij.

Aan het Oostkerkplein staat ook het pakhuis Demerary, waarvan de naam verwijst naar de plaats in Zuid-Amerika waar veel Afrikaanse slaven naar toe werden gebracht om op de plantages te werken. De wandeling eindigt bij het vroegere Burgerweeshuis aan het Molenwater, dat in het verleden de 'jongmaatjes' leverde voor de schepen van de handelscompagnieën.

Hoewel er al meer dan voldoende redenen zijn om Middelburg te bezichtigen, biedt de slavernijroute iets extra's. Namelijk inzicht in een onzichtbare geschiedenis. Zowel voor kinderen als voor volwassenen geeft de route veel informatie over het vaak verzwegen verleden van Zeeland. In het Jaar van de Slavernij laat Zeeland daarmee ook de zwarte bladzijden uit zijn eigen roemrijke verleden zien, net als Olaudah Equiano zo'n 250 jaar eerder.

De speurtocht ‘Geboeid door het Zeeuwse Slavernijverleden’ is voor € 2,50 te koop bij de receptie van het Zeeuws Archief, Hofplein 16 in Middelburg (tel. 0118-678800, info@zeeuwsarchief.nl). De gelijknamige tentoonstelling in het archief is gratis toegankelijk en te bezoeken van ma t/m za 9-17 uur (in juli en augustus op zaterdag gesloten). Middelburg is goed bereikbaar met de NS: uitstappen op station Middelburg.

Route

25 september 2004, © Trouw

Slavernij en schuld
Volkskrant, 8.7.2004 [door Martin Sommer]

Over onze beschamende slavernijgeschiedenis wordt graag gezwegen. Althans, dat wil het cliché. Misschien zou wat meer zwijgen inderdaad op zijn plaats zijn.

Middelburg stond er dinsdagochtend zonnig bij met zijn Lange Jan, en helemaal niet zondig. Toch was ik afgereisd om me te verdiepen in een nationale schuldkwestie. We zijn in het Unesco-jaar van de slavernij aangeland, en de Zeeuwse hoofdstad blaast zijn deuntje mee. Zojuist ging een tentoonstelling open onder de noemer ’Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden’. Je kunt een slavernij-puzzeltocht doen, en er gaan veertien schoolprojecten lopen. In het Zeeuws Archief trof ik archivaris Roelof Koops en Siegfried Steglich, bestuurslid van de Stichting Monument Middelburg. Want ‘na pressie’, zei Steglich, en na het Amsterdamse Oosterpark, krijgt ook Zeeland zijn slavernijmonument.

De kleine, elegante expositie is gebaseerd op het archief van de Middelburgsche Commercie Compagnie (1720-1889). Dat was de handelsmaatschappij die in een kleine twee eeuwen zo'n 55 duizend slaven had verscheept. In het scheepsjournaal van de driemaster Het Vergenoegen kun je zien hoe het gezichtje van een onderweg overleden bemanningslid was getekend, met vleugeltjes omdat hij naar de hemel opsteeg. Een dode slaaf kreeg geen vleugels, dus niet naar de hemel, want geen christen.

Niets op die tentoonstelling aan te merken, al verbaasde het me dat archivaris Koops het had over een ‘onder het tapijt geveegde geschiedenis’ en over ‘weggestopt’. Hoezo onder het tapijt geveegd? Weinig aandacht in de geschiedenisboeken voor dit minder heroďsche hoofdstuk van onze geschiedenis, zei hij. Een steekproef in het geschiedenisboek van mijn zoon (tweede klas middelbare school) leerde dat er heus een minder heroďsch hoofdstuk aan is gewijd. Dat wegpoetsen leek me al niet zo waarschijnlijk, omdat zelfkastijding nu eenmaal na voetbal onze nationale sport is.

Maar in het Middelburgse gastenbock stond ‘eindelijk’, en nog eens ‘eindelijk erkenning’. En ook Martin Bril schreef vorige week in zijn rubriek die hij aan het slavernijmonument wijdde dat de ware betekenis van het liedje Oze Wieze Wo ‘vaak wordt verdoezeld’. Omdat het een slavenliedje is. Naar mijn smaak is de tentoonstelling zelf het beste bewijs dat het met dat verdoezelen enorm meevalt.

Er staan tv-toestellen waarop een Teleac-serie over slavernij wordt herhaald. Er blijkt een instituut te bestaan dat het Nederlandse slavernijverleden onderzoekt. ‘Vergelijkbaar met het NIOD’, bevestigde Siegfriend Steglich mijn idee dat er eerder een grote aandrang tot schuldbekentenis is. Datzelfde instituut produceerde ook al een televisieprogramma. ‘Doorbreek de stilte!’, heet het. Een luidruchtige stilte, dan toch. En gek genoeg precies het verwijt van de Pim-aanhang die ook overal zwijgcomplotten ziet.

‘Geen vergiffenis’, schreef iemand anders in het Middelburgse gastenboek. Tegenwoordig spreken we van afrekenen, maar de strekking is niet anders. De vervelende vraag is: wie is er eigenlijk gediend met alle op calvinistisch-zeeuwse hoofden uitgestrooide as, in combinatie met Surinaams-Antilliaanse verongelijktheid over een schandelijk verleden?

Archivaris Koops gebruikte het beeld van een trauma. Je moet er eerst doorheen, de weggestopte ellende herbeleven. Daarna gaan we genezen samen weer verder. Ik geloof er niets van. Ook al komt de koningin het slavernijmonument plechtig openen, en worden er tien televisieseries over onze Nederlandse Roots gemaakt, het idee blijft onuitroeibaar dat er een schemerig zwijgkomplot is van daders die hun schuld niet willen delgen. Siegfriend Steglich, zelf in Suriname geboren, . Je zou ook kunnen zeggen dat ze een aanhanger is van de 19de eeuwse Franse filosoof Ernest Renan. Die behandelde eens in een beroemde lezing de vraag hoe Frankrijk na eeuwen van onderlinge moord en doodslag, burgeroorlog en revolutie ooit tot een natie zou moeten worden. Natuurlijk, ze moesten hun gezamenlijke, glorieuze, heldhaftige geschiedenis onthouden, zei Renan. Napoleon voor het wij-gevoel.

Nog belangrijker, schreef hij er achteraan, was het ‘gezamenlijke vergeten’. De Fransen moesten vooral niet meer denken aan de Bartholomeüsnacht, of aan de genocide in de Vendee. Dat zou maar tweespalt opleveren. ‘Het vergeten, en ik zou zelfs zeggen geschiedvervalsing, is essentieel in het totstandkomen van een natie.’ In Nederland is het net als in het Frankrijk van een dikke eeuw terug tamelijk urgent om de boel bij elkaar te houden. Hoe maak je van een slechtgehumeurd, elkaar beloerend en belerend volk weer iets dat op een gezamenlijkheid lijkt? Minder Gouden Eeuw, en meer slavernijgeschiedenis? Of, in de bewoordingen van de laatste twee jaar: moeten we alles benoemen? Het gebruikelijke antwoord is dat van Koops, die vond dat ‘wij als witten het verleden onder ogen moeten zien’. Daarna voegde hij er eerlijk aan toen dat er onlangs een publieksonderzoek is gedaan. In hoeverre was men op de hoogte van het slavernijverleden? Een van de ondervraagden was een zwart jongetje. Wat wist hij van die boze geschiedenis? Hij had een wit vriendje. En hij zei: ik weet er niks van en ik wil er eigenlijk niks van weten. Want dan is hij straks misschien mijn vriendje niet meer.

Copyright De Volkskrant

Beroofd van vrijheid en troost 
PZC, 3.7.2004 [door Harmen van der Werf ]

Handel is handel, maar in mensen handelen, dat gaat te ver.

Zo dachten de Zeeuwse machthebbers er eind zestiende eeuw nog over.

Zij lieten slaven op een in 1596 buitgemaakt Portugees schip in Middelburg 'gewoon' vrij.

Nog geen veertig jaar later kwam een groot deel van het huidige Brazilië in Nederlandse handen.

Arbeidskrachten waren nodig.

Waar haalden de Nederlanders, met voorop Zeeuwse reders, die vandaan?

Uit Afrika. Het mocht opeens, slavenhandel en slavernij.

En, beweerde een Middelburgse scheepsarts veel later,

Afrikaanse slaven waren beter af dan thuis.

Roelof Koops, directeur van het Zeeuws Archief, voelt weerzin als hij dat soort opmerkingen leest. In de expositieruimte van het Zeeuws Archief aan het Hofplein in de Middelburgse binnenstad toont hij een logboek van slavenschip Het Vergenoegen . "Zie je die twee tekeningen", wijst hij in de kantlijn van het logboek aan, "de éne afbeelding is van een matroos en de andere van een slaaf. Allebei zijn ze - onderweg van Afrika naar Zuid-Amerika - overleden. De matroos heeft een naam, Willem van Heumen, de slaaf alleen een nummer. De matroos is afgebeeld met twee vleugeltjes aan zijn hoofd. Slaaf nummer zevenentwintig heeft geen vleugeltjes. Dat zegt echt zóveel: die matroos is opgestegen ten hemel, de Afrikaanse slaaf niet." En waarom niet? Koops geeft het antwoord. "Die Afrikaanse slaaf was geen christen. En omdat Afrikanen geen christenen waren, konden Europeanen hun handen in onschuld wassen. De Afrikanen waren heidenen en mochten dus worden verhandeld." In 1596 dachten Zeeuwse machthebbers daar nog geheel anders over. Zij lieten in Middelburg honderddertig slaven en slavinnen vrij, die waren aangetroffen op een buitgemaakt Portugees schip. Slavenhandel en slavernij, dat waren verwerpelijke activiteiten waarmee de Spaanse en Portugese rooms-katholieke vijanden zich bezighielden. Het calvinistische Nederland moest zich daar verre van houden, tot de economische noodzaak daar was.

Met de verovering van een groot deel van Brazilië op de Portugezen tussen 1630 en 1635 ontdekten ook Nederlanders dat het 'zinnig' was slaven in te zetten op suikerplantages. De Nederlandse moraal paste zich feilloos aan, met dank aan onder anderen de Zierikzeese predikant Godfried Corneliszoon Udemans. Zolang het om heidenen ging, stelde Udemans in 1640, mochten Nederlandse handelsmaatschappijen 'gerust' aan slavenhandel deelnemen. Bekeerden de slaven zich, dan moesten ze na zeven jaar worden vrijgelaten. Nederlanders hebben in die tijd nooit zo'n grote bekeringsdrift tentoongespreid. Een dominee in Paramaribo die later voorstelde om slaven te kerstenen, kon direct vertrekken.

Grote diverije
Niet iedereen ging overigens met de nieuwe tijdgeest mee. Bernard Smytegelt, in orthodox christelijke kringen nog steeds in hoog aanzien, preekte vanaf de kansel in Middelburg tegen slavernij. Hij noemde slavenhandel 'grote diverije' en stelde dat Afrikanen 'diefelijk ontstolen' zijn aan hun land. De Leidse hoogleraar Piet Emmer in zijn vier jaar geleden verschenen standaardwerk De Nederlandse slavenhandel 1500-1850: 'Pikant is dat Smytegelt in zijn standplaats Middelburg heel wat gemeenteleden onder zijn gehoor moet hebben gehad die hun brood direct of indirect in deze nering verdienden. Maar liefst driekwart van de Nederlandse slavenschepen vertrok na 1730 uit Middelburg en Vlissingen.' Het Vergenoegen - de naam alleen al - was één van die slavenschepen, waarvan in het archief van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) de logboeken en andere documenten bewaard zijn gebleven.

"Een uniek archief", stelt Koops van het Zeeuws Archief niet zonder trots, "vierenzeventig meter lang. Uitrustingen van schepen bij vertrek uit Middelburg, reisverslagen, opbrengsten van veilingen van slaven, gegevens over uit Suriname en andere Zeeuwse kolonies meegebrachte goederen, alles is daarin terug te vinden. Het MCC-archief is het gestolde slavernijverleden." Iets van dat verleden is de komende maanden in de expositieruimte van het Zeeuws Archief te zien, op een tentoonstelling waarin een reis van Het Vergenoegen de rode draad is. De expositie is een onderdeel van de activiteiten in het kader van het Jaar van het Zeeuwse Slavernijverleden. In de expositieruimte vertellen originele documenten het verhaal van één van de vele Middelburgse slavenschepen aan het einde van de achttiende eeuw. Zo laat een officieel papier zien dat de kapitein van Het Vergenoegen, Robbert Goodwill, gerechtigd was in slaven te handelen, want alles was 'netjes' en officieel geregeld. Via een internetsite is de geschiedenis van het slavenschip te volgen. En twee verkorte tv-documentaires van Teleac laten een modern, levendig beeld van de slavenhandel zien. "We proberen zo", zegt Koops, "een zo breed mogelijk publiek, zeker ook kinderen, aan te spreken."

Geketende negerin
Het pronkstuk van de expositie is een houtsnijwerk, een beeld van een geketende negerin. Zo gingen ze aan boord, als ze waren afgeleverd door Afrikaanse slavenhandelaren. Slavernij was in Afrika 'gebruikelijk'. Oorlogsgevangenen deden dienst als slaven. Zij maakten deel uit van de krijgsbuit. Voor de slavenhandel vonden ook ontvoeringen plaats, want in de zeventiende en achttiende eeuw hadden de Engelsen, Fransen, Portugezen én Nederlanders constant behoefte aan arbeiders voor hun Zuid-Amerikaanse gebiedsdelen. De sterfte onder slaven op plantages was groot. Twaalf miljoen Afrikanen zijn in vier eeuwen naar Amerika gebracht, heeft historicus Emmer berekend, van wie er zeshonderdduizend met Nederlandse schepen zijn getransporteerd.

Emmer heeft tot ergernis van Zeeuws Archief-directeur Koops nogal de neiging dat aantal en de betekenis van de Europese slavenhandel te relativeren. Van een dramatische invloed op de bevolkingsopbouw van Afrika was volgens de Leidse hoogleraar geen sprake. De omstandigheden aan boord van slavenschepen waren slecht. Meer dan één op de tien slaven overleefde de overtocht niet, maar, stelt Emmer, 'een mensenleven was vroeger veel minder waard dan nu en dat was niet alleen het geval in Afrika'. Ook veel Europese zeevarenden kwamen om op verre reizen. 'En', geeft Emmer in zijn boek over de Nederlandse slavenhandel aan, 'per persoon was - op slavenschepen - ongeveer dezelfde ruimte beschikbaar als voor een economy-classpassagier in een Boeing 747.' Om direct toe te voegen: 'Een vliegreis zonder tussenlanding duurt hoogstens tien tot twaalf uur en een slavenreis nam minimaal een maand in beslag.'

In verzet
Koops ergert zich aan het door Emmer opgeroepen beeld, omdat hij sterk redeneert vanuit het blanke Europa. "In Afrika was slavernij, maar slaven maakten daar wel onderdeel uit van een samenleving. En ze gingen in tegenstelling tot Europese zeelui niet uit vrije wil weg."

Het is nauwelijks bekend hoe Afrikaanse slaven hun lot hebben ervaren. Een teken aan de wand is dat slaven op ongeveer 300 van de 1.500 slavenreizen onder Nederlandse vlag in verzet kwamen. Weinig slaven hebben iets op schrift achtergelaten. Een uitzondering is Equiano. Hij werd rond 1760 op tienjarige leeftijd uit zijn dorp ontvoerd, belandde in West-Indië, en ging later na zijn vrijlating naar Engeland. Hij speelde een belangrijke rol in de anti-slavernijbeweging die in Nederland nauwelijks heeft bestaan, maar in Engeland groot was. Equiano zette zijn belevenissen op papier. Hij was met zijn zus gekidnapt, maar, schrijft hij, 'wij werden spoedig beroofd van zelfs die kleine troost om samen te huilen'. Ze werden van elkaar gescheiden. 'Ik jammerde en huilde voortdurend.'

Zulke verhalen verdienen aandacht om ook het Zeeuwse slavernijverleden breed onder de aandacht te brengen, vindt Koops. "Want de Europese slavenhandel mag voorbij zijn, de uitbuiting van mensen is van alle tijden, ook in deze tijd, met kinderarbeid, gedwongen prostitutie."
Aan excuses voor de slavenhandel heeft de directeur van het Zeeuws Archief geen behoefte. "Het gaat er veel meer om dat dit verleden wordt besproken én er erkenning komt voor wat er is gebeurd."

Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Nog steeds die vraag waar we vandaan komen
PZC, 3.7.2004 [door Harmen van der Werf]

MIDDELBURG - Het overkomt haar nog zo vaak, vertelt een Surinaamse vrijdag na de officiële opening van het Jaar van het Zeeuwse slavernijverleden. Dat Nederlanders haar vragen, waar ze vandaan komt. „Als ik dan zeg ’Uit Middelburg’, dan kijken ze mij aan alsof dat niet zou kunnen. Zo word je er wel van bewust gemaakt dat je een ander verleden hebt“.

PZC 3 juli

Het jaar van het Zeeuwse slavernijverleden is gisteren geopend met onder meer een dansoptreden op de Middelburgse Markt.
(foto Lex de Meester)


Heel veel Nederlanders van Surinaamse afkomst zijn er niet, op de bijeenkomst in de Zeeuwse Bibliotheek, bij de start van het Jaar van het Zeeuwse slavernijverleden. Maar degenen die er zijn, roeren hun mond. Zij laten zien en horen dat er niet voor niets aandacht wordt besteed aan - wat heet - een zwarte bladzijde uit de Zeeuwse historie.

Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden, heeft zijn verhaal net gehouden, als een oudere Surinaamse man opstaat. „Zeeuwen behandelden slaven niet erger dan Hollanders“, citeert hij Oostindie, ,,en Hollanders waren niet erger dan Fransen of Engelsen. Maar elk land, elk individu en elk volk had toch een eigen verantwoordelijkheid. Wat de anderen ook deden.“

Bewustzijn
Van excuses voor de slavenhandel en slavernij wil toch niemand weten in de zaal. Ook de oudere Surinamer niet. ,,Wij hebben met de witte Nederlanders een gezamenlijke geschiedenis“, zegt Siegfried Steglich, bestuurslid van de Stichting Monument Middelburg, die zich beijvert voor een slavernijmonument in de Zeeuwse hoofdstad. „De tijd is er rijp voor die geschiedenis voor het voetlicht te brengen. Met de komst van Surinamers en Antillianen naar Nederland valt daaraan niet meer te ontkomen. En ons bewustzijn over onze herkomst is de laatste jaren gegroeid. Onze kinderen vragen ernaar.“

Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders zijn met hun verleden bezig. Dat is duidelijk. In het Oosterpark in Amsterdam staat sinds twee jaar een slavernijmonument. In Amsterdam is een instituut opgericht dat zich speciaal met het Nederlandse slavernijverleden bezighoudt. En Unesco, de culturele organisatie van de Verenigde Naties, heeft 2004 uitgeroepen tot Jaar van de Slavernij. „Maar hoe ga je vervolgens verder?“, wil de Surinaamse Rita Fuchs weten. ,,Vooral met wat wij in Suriname hebben achtergelaten. Die mensen daar hebben zich heel anders ontwikkeld.“ „Het slavernijverleden is in Suriname nog zo goed voelbaar“, legt zij later uit. ,,Dat mensen bijvoorbeeld weinig initiatief tonen. Zoiets mag je niet vergeten in een jaar als dit.“

Gisteren is in het Zeeuws Archief ook de expositie Geboeid door het Verleden geopend. Op de Markt in Middelburg traden Terras Brazilis en de Vlissings salsa-band Diferente op, bij wijze van vrolijke noot.
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

'Slavernijverleden nog goed voelbaar’
BN/De Stem, 3.7.2004 [door Harmen van der Werf]

 MIDDELBURG – Het overkomt haar nog zo vaak, vertelt een Surinaamse

vrijdag na de officiële opening van het Jaar van het Zeeuwse slavernijverleden.

Dat Nederlanders haar vragen, waar ze vandaan komt.

 „Als ik dan zeg ’Uit Middelburg’, dan kijken ze mij aan alsof dat niet zou kunnen. Zo word je er wel van bewust gemaakt dat je een ander verleden hebt.“

Heel veel Nederlanders van Surinaamse afkomst zijn er niet, op de bijeenkomst in de Zeeuwse Bibliotheek, bij de start van het Jaar van het Zeeuwse slavernijverleden. Maar degenen die er wel zijn, laten blijken dat er niet voor niets aandacht wordt besteed aan - wat heet - een zwarte bladzijde uit de Zeeuwse historie.

Van excuses voor de slavenhandel en slavernij wil niemand weten in de zaal. ,,Wij hebben met de witte Nederlanders een gezamenlijke geschiedenis“, zegt Siegfried Steglich, bestuurslid van de Stichting Monument Middelburg, die zich beijvert voor een slavernijmonument in de Zeeuwse hoofdstad.“

„De tijd is er rijp voor die geschiedenis voor het voetlicht te brengen. Met de komst van Surinamers en Antillianen naar Nederland valt daaraan niet meer te ontkomen. En ons bewustzijn over onze herkomst is de laatste jaren gegroeid. Onze kinderen vragen ernaar“, weet Steglich.

„Het slavernijverleden is in Suriname nog zo goed voelbaar“, legt de Surinaamse Rita Fuchs uit. ,,Dat mensen bijvoorbeeld weinig initiatief tonen. Zoiets mag je niet vergeten in een jaar als dit.“
Copyright BN/DeStem

Zeeland herdenkt met Unesco het eigen slavernijverleden
De Faam / De Bevelander 30.7.2004 [door Ad Hanneman]

MIDDELBURG - Zeeland kon niet verstek laten gaan toen de Unesco 2004 uitriep tot jaar gewijd aan de herdenking van de slavernij. De Zeeuwse reders hadden immers tussen 1620 en 1820 rond de tweehonderdduizend slaven gevangen genomen en verkocht. Bovendien - zo stelt directeur Roelof Koops van het Zeeuws Archief vast - liet de Middelburgsche Commercie Compagnie

(MCC) een meters lang archief na.

Dat archief en nog een heleboel wetenswaardigheden worden vanaf zaterdag 3 juli tentoongesteld in het Zeeuws Archief. Die dag zijn trouwens allerlei activiteiten te bezoeken die in het teken staan van ‘Het jaar van het Zeeuwse Slavernijverleden’. Ze zijn de ouverture naar nog meer stilstaan bij die historische smet op het Zeeuwse blazoen. Koops hoopt het jaar te kunnen afsluiten met de onthulling van een slavernijmonument op de Balans. Want daar staat immers nog steeds het gebouw van de MCC, redeneert hij. Dat ‘men’ nog wat hakketakt over de plaats deert hem niet. ‘Dat monument komt op De Balans,’ is zijn resolute visie.

 

Slavenhandel was geen vanzelfsprekende zaak voor de Zeeuwen. In 1596 brengt een Rotterdamse kapitein een op de Portugezen buitgemaakt schip naar Middelburg. Aan boord de eerste Afrikanen, ruim honderd mannen, vrouwen en kinderen. ‘Gekerstende Afrikaners,’ benadrukt Koops. Zeeland kent geen slavernij, dus worden ze vrijgelaten. De predikanten preken dat mensenhandel zonde is. ‘Het is niet aan de mens om de ander in slavernij te houden.’ Voordat de Afrikanen worden vrijgelaten is er nog een attractie voor de bevolking om de ‘Mooren’ te komen bekijken in het Hof van Zeeland, het huidige Abdijplein. Weinig is bekend over hun verdere lot. Koops: ‘Aangenomen wordt dat ze in Antwerpen terecht zijn gekomen, waar slavernij wel voorkwam. Dat is onder meer op een tekening te zien uit 1520 van Hans Hollijn’.

In 1620 veranderde de opstelling, zo ook de inhoud van de preek van de Middelburgse en Vlissingse kansels. ‘We zien dan de eerste nota’s van de voetboeien die in /Middelburg worden gesmeed. Die worden gebruikt om de slaven aan boord vast te ketenen. Opmerkelijk he? Eerst spreken ze er schande van en in amper een kwart eeuw draait het helemaal om. Het brengt immers geld op.’ Toch blijft er protest van de kansel komen, andere predikanten met handelaren in hun sporen verwijzen naar Noach en die vinden het dus alleszins redelijk. Bij christelijke slaven wordt het echter een ander verhaal. Want tot het christendom bekeerde mannen en vrouwen uit Afrika mogen niet als slaaf worden verhandeld. Volgens Koops stagneerde de bekering: ‘Dat zou morele problemen bij de handelsvaart hebben opgeleverd. De Spanjaarden hadden daar weer andere regels voor. Ook bekeerden konden als slaaf worden verkocht.’

 

Roelof Koops zegt met een dubbele pet op ‘Het jaar van het Zeeuwse Slavernijverleden’ in te gaan. Hij is namelijk ook nog bestuurslid van de Stichting Zeeuws Slavernijverleden. Onder het motto ‘Doorbreek die stilte’ is die stichting opgericht. Koops meent dat het belangrijk is om dat verleden te herkennen, te erkennen en te verwerken. ‘Alleen zo kunnen we de slavernijgeschiedenis een plaats geven in de maatschappij en in de geschiedenis die recht doet aan de gebeurtenissen. Het zwarte en witte slavernijverleden van Zeeland als twee zijden van een en dezelfde medaille. Want vergeet niet: achttien tot twintig procent van de gevangenen overleed aan boord. Dat moet toch vreselijk zijn geweest?’

 

In de achttiende eeuw komen steeds meer protesten tegen de mensenhandel. ‘We laten gravures zien die tonen dat slaven voor straf met een vleeshaak in de borst werden opgehangen.’ Mensen die het zien gruwelen en spreken er schande van. In Engeland is vanaf 1800 slavenhandel en alles wat er mee heeft te maken taboe, Nederland volgt twintig jaar later. Tot slot voegt Koops er nog aan toe: ‘Het lijkt er vaak op alsof Middelburg het grootste aandeel in de slavenhandel had in Zeeland, maar dat klopt niet. Vlissingen had een aandeel van zestig, Middelburg van veertig procent. Het is wat verborgen gebleven omdat de Vlissingers individueler werkten. Daar zijn geen archieven van. Van Middelburg is alles geregistreerd.’

 

Officiële opening met toespraken en muziek

De Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg is vrijdag 2 juli decor voor de openingsceremonie van het Jaar van het Zeeuwse Slavernijverleden. Gedeputeerde drs. H. van Walraven van cultuur in Zeeland verricht de officiële aftrap voor een jaar vol activiteiten. Daarna opent hij de tentoonstelling ‘Geboeid door het Zeeuwse Slavernijverleden’ in het Zeeuws Archief, Het begint die vrijdag om 15.00 uur in de bibliotheek.

Het openingsprogramma krijgt een passende muzikale inbreng met het optreden van het Trio Violinistico, onderdeel van de groep Terras Brazilis. Het is muziek die is ontstaan in de zeventiende en achttiende eeuw op de suikerplantages in Brazilië. Maar er zijn ook toespraken. Na het welkomstwoord door drs. R.L. Koops, voorzitter van de projectgroep Zeeuws Slavernijverleden, gaat dr. E. Campbell van het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee) in op de vraag ‘Het Slavernijverleden herdenken of vergeten?’. Directeur prof. dr. G.J. Oostindie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde belicht een mogelijk heikele zaak als ‘Hoe Zeeuws is het Nederlands slavernijverleden?’

De groep Terras Brazils treedt in zijn geheel aan die vrijdag op de Markt met een wervelende show van Zuid-Amerikaanse capoeira muziek en dans. De capoeira omvat een aantal jacht- en vechttechnieken die de slaven uit Afrika hadden mee-genomen. Nadat de plantagehouders de capoeira hadden verboden, werd deze vechtkunst verder ontwikkeld als dans. Tussen 20.00 en 20.15 uur demonstreert Terras Brazilis de capoeira in al zijn facetten. De Antiliaanse band Diferente uit Vlissingen besluit de openingsdag van het Jaar van het Zeeuwse Slavernijverleden op de Middelburgse Markt. Om de afschaffing van de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen op 1 juni 1863 te herdenken worden zaterdag 3 juli liedjes gezongen en gedichten voorgedragen op de Balans in Middelburg. Uitvoerende is de Toneel- en Zangvereniging Amazone. Het gebeurt op uitnodiging van de Stichting Monument Middelburg. Die Stichting wil het verleden een plaats geven in het heden. De Balans is gekozen omdat daar in het vroegere gebouw van de Middelburgsche Commercie Compagnie de aanzet is gegeven tot de slavenhandel. Bovendien moet daar een monument komen dat herinnert aan het slavernijverleden. Het optreden van Amazone begint om 14.30 en is een half uur later afgelopen.

 

Middelburgse gebouwen herinneren aan ‘besmet’ Zeeuws verleden

Tal van gebouwen in Middelburg tonen nog sporen van het Zeeuwse slavernijverleden. Als centrum van de mensenhandel wordt wel het pand Balans 17 genoemd (tegenwoordig in gebruik door de Stichting Kunstuitleen Zeeland). Hier zetelde van 1732 tot 1807 de Middelburgse Commercie Compagnie, verantwoordelijk voor twintig procent van de Nederlandse slavenhandel. De laatste slavenreis vond plaats in 1804, maar veel zakenlieden probeerden nog jaren later het winstgevende instituut nieuw leven in te blazen. De plannen strandden definitief toen koning Willem I in 1814 een verdrag tekende dat een eind maakte aan de slavenreizen. Het zou nog tot 1863 duren voordat de slavernij in Nederland (en de overzeese gebiedsdelen) definitief werd afgeschaft

.

Geboeid slavernijverleden in expositie en speurtocht

Het Zeeuws Archief in Middelburg pakt royaal uit met de uitgebreide expositie ‘Geboeid door het Zeeuwse Slavernijverleden’. Die is te zien van zaterdag 3 juli tot 8 januari. Voor de jeugd heeft het Zeeuws Archief een speurtocht door Middelburg bedacht. De tentoonstelling beantwoordt vragen die kunnen rijzen als het om slavernij gaat. Daarbij wordt gebruik gemaakt van documenten uit het archief van de Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) uit de periode 1720-1889. Het Zeeuwse slavernijverleden wordt belicht aan de hand van de transatlantische driehoekshandel. Daarin wordt zichtbaar hoe handelsgoederen van Nederland naar de West-Afrikaanse kust worden vervoerd, de aankoop van Afrikanen, het vervoer, de verkoop van Afrikanen, het le-ven aan boord van een slavenschip en de handelsgoederen retour naar Europa. Niet alleen archiefstukken laten de mensenhandel zien, ook museale voorwerpen, beeld en geluid en een virtuele reis aan boord van een slavenschip behoren tot de mogelijkheden.Kinderen kunnen een speurtocht door Middelburg maken. Ze worden geconfron-teerd met gebouwen en plaatsen die herinneren aan het slavernijverleden van de provincie. Korte verhalen en illustraties verlevendigen de speurtocht.

Coyright De Faam / De Bevelander

 

Zeeuwen waren niet het ergste geboefte in historie slavernij

De Faam / De Bevelander, 30.6.2004 [door Jacco van Maldegem]

VLISSINGEN - Morgen mag het Jaar van de Slavernij dan officieel van start gaan, maar Zeeuwen weten vaak niets van de rol van hun voorouders in de slavenhandel. Dat is betreurenswaardig vindt Doeke Roos, schrijver van het boek ‘Zeeuwen en de Westindische Compagnie’, want aandacht voor hoofdstukken uit het verleden is altijd goed, hoe zwart de bladzijden ook zijn. Een geschiedenisles van Roos over het Zeeuwse slavernijverleden en hoe daar vandaag de dag mee om te gaan.

In het Amsterdamse Oosterpark is twee jaar geleden het slavernijmonument onthuld, maar die had in Middelburg en Vlissingen niet misstaan. ‘Want’, zegt Roos, ‘relatief gezien zijn er meer Afrikanen door Zeeuwen dan door Hollanders naar de andere kant van de oceaan verscheept.’ Na de oprichting van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) kwam naar schatting 64% van de Nederlandse slavenhandel, in drie eeuwen goed voor bijna een half miljoen personen, voor rekening van Zeeuwen. Waar Roos zich aan ergert is de veronderstelling waarin veel Nederlanders verkeren dat ‘ons slavernijverleden alleen gerelateerd is aan Suriname’.

Voordat Abraham Crijnssen, eveneens een Zeeuw, in 1667 Suriname veroverde op de Engelsen, waren er al duizenden slaven verscheept naar Brazilië en Guyana, waar de West-Indische Compagnie (WIC) toen al kleine kolonies had. ‘Maar dat schijnt niemand te weten. Iedereen denkt bij slaven aan Suriname.’

Het Zeeuwse slavernijverleden is een Walchers verhaal, meent Roos, hoewel exacte cijfers of schattingen ontbreken. ‘De rol van Middelburg is door de MCC erg duidelijk en Vlissingen leverde veel bootsvolk. De Bevelanders hebben zich in die periode op maritiem gebied nauwelijks geroerd. En Zierikzee herbergde vooral koopvaardijschepen die wellicht wel een keer slaven hebben vervoerd, maar nooit op grote schaal.’

Driehoekshandel
Slechts enkele oude pakhuizen in Middelburg herinneren nog aan die tijd, zij het slechts indirect. Immers, er was sprake van de zogenoemde driehoekshandel. Zeeuwen voeren met goederen als katoen en ijzer en later drank en wapens naar Afrika, om daar van Afrikaanse stamhoofden slaven te kopen, die vervolgens naar de koloniën werden vervoerd. Vanuit de overzeese gebiedsdelen namen de schepen producten uit de plantages, zoals suiker en katoen, mee naar het vaderland. De Zeeuwen op het vasteland hebben dus waarschijnlijk weinig tot niets geweten van de slavenhandel, zo veronderstelt Roos. ‘Sterker nog, op een verdwaalde zeeman na hebben veel Zeeuwen waarschijnlijk nooit een Afrikaan gezien.’

De rol van de Nederlanders wordt schromelijk overschat, meent Roos. Zo hielden de Portugezen en Spanjaarden zich al honderd jaar bezig met slavenhandel voordat er een persoon door Hollanders of Zeeuwen naar de andere kant van de oceaan was gebracht. En elke Europese zeevarende natie heeft er aan meegedaan. Roos: ‘Zweden, Denemarken, Engeland, Frankrijk, Portugal en Spanje. In die context komt slechts 5% voor rekening van Nederland en slechts 2,5% voor rekening van de Zeeuwen. We zijn dus niet het ergste geboefte uit die tijd geweest.’

Mea culpa
De aandacht die er door het Jaar van de slavernij voor het slavernijverleden ontstaat, juicht Roos toe, maar er is binnen dat herinneringsjaar naar zijn mening geen plaats voor mea culpa (‘door mijn schuld’). ‘Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan de slavenhandel. Dat waren mijn voorouders. Het is nu zo lang geleden, we moeten weten wat er is gebeurd. De geschiedenis beschrijven en doorgeven. Dat is onze taak nu, niet het opdringen van een schuldgevoel.’

Copyright De Faam / De Bevelander

Zeeuwen te koop

De Faam / De Bevelander, 30.6.2004 [door Betty Blikman-Ruiterkamp] 

ZIERIKZEE - Een slavenkas in Zierikzee, terwijl daar juist niet aan slavenhandel werd gedaan? Vreemd en logisch tegelijk. Van het geld in de kas werden geen slaven aangeschaft, maar vrijgekocht.

Het ging om de bemanning van Zierikzeese schepen, die tijdens hun reis in de buurt van de Middellandse Zee werden gevangen genomen en waar een losprijs voor moest worden betaald. Het brutale optreden van de Barbarijse zeerovers voor de kust van Noord-Afrika werd een ondraaglijke belasting voor zeevarenden. Begin 1734 raakte de Zierikzeese koopvaardijhoeker de Palmboom met als stuurman Cornelis Jacobs Flodder, in de problemen. In de buurt van Rabat, een belangrijke Marokkaanse stad, werd het schip door zeerovers aangevallen en gekaapt. Het schip werd te koop gezet en stuurman Flodder gevangen. Voor een hoog bedrag aan losgeld mocht hij naar huis. In eerdere gevallen werd er vaak een beroep gedaan op de stadskas of op kerkelijke fondsen. Dit kwam zo vaak voor, dat deze instanties geen geld genoeg hadden om deze mensen te bevrijden. In Zierikzee werd hiervoor een slimme oplossing bedacht. Als iedereen voor vertrek een bedrag zou storten, was er geld om mensen vrij te kopen. Zo ontstond de Slavenkas, als een vroeg verzekeringsfonds.

Cornelis Flodder was de eerste die ervan profiteerde. In 1741 bleek dat de matrozen Leendert Barendse Anker en Joos Joosse Nolle al veel jaren in slavernij hadden doorgebracht. De familie was het niet gelukt om het benodigde losgeld te verzamelen. De Slavenkas sprong bij en in 1743 keerden de Zierikzeese matrozen terug, na bijna tien jaar gevangenschap. Zeven jaar later werd schipper Valentijn van de Zeelandia met zijn hele bemanning gevangen genomen door zeerovers uit Tanger. Pas drie jaar later werden zij bevrijd. Terug in Zierikzee hadden deze mannen financiële hulp nodig. Uit de Slavenkas kreeg de schipper veertig, de stuurman dertig en elke matroos vijfentwintig Zeeuwse rijksdaalders.

Dit was het begin van een sociaal getint beleid dat hierna door het bestuur werd gevoerd. Want in 1810 heeft een gecombineerde Engels/Nederlandse vloot hevig huisgehouden op de Middellandse Zee, waarbij het zeeroversnest Algiers werd ‘uitgerookt'. Steeds minder mensen werden tot slaaf gemaakt en sindsdien worden de gelden van de Slavenkas voor sociale doeleinden aangewend. De kas waarin het geld vroeger bewaard werd, is te zien in het Maritiem Museum in Zierikzee.

Copyright De Faam / De Bevelander

Zeeland herdenkt slavernij
BN/De Stem, 29.6.2004

 

MIDDELBURG – Vlissingse en Middelburgse kooplieden hebben zich in het

 

verleden met verve op de slavenhandel gestort. Dat is volgens directeur R.

Koops van het Zeeuws Archief in Middelburg nauwelijks bekend bij het grote

 

publiek. Daarom duikt Zeeland in zijn eigen slavernijverleden.

Vrijdag opent de provincie in de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg het ‘Jaar van het Zeeuwse slavernijverleden’. Tot juli volgend jaar staan de Zeeuwen door middel van diverse activiteiten stil bij de verschillende aspecten van de slavenhandel.

Van het aantal verscheepte slaven in Nederland nam Zeeland ongeveer 33 procent voor zijn rekening. De provincie Zeeland heeft zelfs enkele jaren Suriname in eigendom gehad, voordat het dat gebied aan de West-Indische Compagnie verkocht.

Het doel van het jaar is het publiek op de hoogte te brengen van dit verleden en tegelijkertijd te werken aan een bewustwordingsproces. ‘Het is een periode waarvan de gegevens nooit zijn bewerkt voor een groot publiek’, aldus Koops. ‘Zowel aan de witte kant, de handelaren, als aan de zwarte kant, de slaven, wordt er met schroom en schaamte tegen dit verleden aangekeken.’

‘De slavenhandel valt niet echt onder de heldendaden van de blanken en nazaten van slaven hebben moeite met wat hun voorouders is aangedaan. Het verleden moet daarom samen herkend, erkend en verwerkt worden, om het slavernijverleden die plaats te geven in geschiedenisboeken en in de maatschappij die recht doet aan de gebeurtenissen.’

Het ‘Jaar van het Zeeuwse slavernijverleden’ begint met de expositie ‘Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden’, die te zien is in het Zeeuws Archief. Bovendien kunnen belangstellenden heel het jaar deelnemen aan onder meer een speurtocht, discussiebijeenkomsten, lezingen en een scholenproject. De provincie sluit het jaar op 1 juli 2005 af met de onthulling van een slavernijmonument in Middelburg.
Copyright BN/DeStem

Recht doen aan weggestopt Zeeuws slavernijverleden
PZC, 23.6.2004  [door Ernst Jan Rozendaal]

MIDDELBURG - Vrijdag 2 juli begint in Middelburg het jaar van het Zeeuwse slavernijverleden. In de Zeeuwse Bibliotheek laten verschillende sprekers hun licht schijnen over de Zeeuwse slavenhandel en opent gedeputeerde H. van Waveren (CDA, cultuur) een speciale website. In het Zeeuws Archief begint de tentoonstelling ‘Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden’ en ‘s avonds volgen optredens op de Markt.

In Suriname is 1 juli de dag van de verbroken ketenen, de bevrijdingsdag waarop het einde van de slavernij wordt herdacht. Het is daarom niet toevallig dat het jaar van het Zeeuwse slavernijverleden loopt van 1 juli 2004 tot 1 juli 2005. Het jaar wordt afgesloten met de onthulling van een monument aan de Balans in Middelburg.

De doelstelling van het jaar is ’recht te doen aan het enigszins weggestopte slavernijverleden’, zegt directeur R. Koops van het Zeeuws Archief. Hij is voorzitter van de projectgroep Zeeuws slavernijverleden.

„De slavernij is voor Nederland een maatschappelijk trauma, aan witte en aan zwarte kant“, aldus Koops. ,,Voor ons is het altijd een ver-van-mijn-bed-show geweest. Nu willen we het verhaal goed vertellen. Ik denk dat het verleden aan zwarte kant ook is weggestopt. Dat je voorouders slaven zijn geweest, is niet iets om trots op te zijn. Het gedeelde verleden kunnen we niet ongedaan maken, maar we kunnen er wel op een ordentelijke manier aandacht aan besteden.’’ Behalve Koops zullen tijdens de opening in de Zeeuwse Bibliotheek voorzitter E. Campbell van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) en directeur G. Oostindie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde ingaan op het Zeeuwse slavernijverleden.

Vertaalslag
Belangrijkste bron daarvoor is het archief van de Middelburgse Commercie Compagnie. ,,Dat gaan we visualiseren’’, zegt Koops. ,,Bij wetenschappers zijn de feiten wel bekend, maar de vertaalslag naar het grote publiek is nooit gemaakt.’’

Vrijdagavond 2 juli treedt op de Middelburgse Markt het Trio Violinistico op met capoeiramuziek en -dans (vanaf 20 uur). Capoeira is een door slaven ontwikkelde dans gebaseerd op jacht- en vechttechnieken. Daarna volgt muziek van de uit Vlissingen afkomstige Antilliaanse band Diferente.

Vanaf 3 juli kan vanuit het Zeeuws Archief een speurtocht door Middelburg worden gelopen langs plaatsen die aan het slavernijverleden herinneren. Die dag treedt aan de Balans in Middelburg toneel- en zangvereniging Amazone op (14.30 uur).

Vanaf het najaar organiseert de Zeeuwse Bibliotheek een reeks lezingen. In het voorjaar van 2005 maakt de bekende Antilliaanse schrijver Frank Martinus Arion een rondgang langs Zeeuwse scholen. De bedoeling is dat hij wordt vergezeld door de van oorsprong Surinaamse schrijfster Joyce Pool. Verder hebben de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland en het Zeeuws Archief projecten en leskisten voor Zeeuwse scholen ontwikkeld.

In samenwerking met het Roosevelt Study Center, de Erasmus Universiteit en NiNsee vindt in juni 2005 in Middelburg het driedaagse wetenschappelijke congres ’Slavery from within’ plaats. Onder de noemer ‘Slave to the rhythm’ zal de programmering van het Bevrijdingsfestival 2005 gedeeltelijk gewijd zijn aan de muzikale erfenis van de slavernij.

Het plan is ook het grootschalige theaterproject ‘Slavernij Moment Nu, gedeeld heden, verdeeld verleden’ op te voeren op het voormalige terrein van de Schelde in Vlissingen. De Stichting Surant heeft het idee geopperd een wandschildering over slavernij aan te brengen op het kunstcentrum deWillem3 in Vlissingen.

Het dagelijks provinciebestuur heeft gisteren besloten 44.000 euro uit te trekken voor activiteiten die in 2004 plaatsvinden. Onder voorbehoud is ook een subsidie van 11.000 euro verleend aan de literaire tocht van Arion en Pool. In november beslist de provincie of ook Slave to the rhythm en Slavernij Moment Nu worden gesubsidieerd.

Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden
Nieuwsbrief Zeeuws Archief, 22.6.2004

Het Zeeuwse slavernijverleden is het onderwerp van de tentoonstelling die vanaf

3 juli te zien is in het Zeeuws Archief. Centraal staat de Middelburgsche  Commercie Compagnie (MCC), een handelsmaatschappij en rederij die zich

vooral met de slavenhandel bezighield, en waarvan het Zeeuws Archief de

archieven beheert.

Roelof Koops is als directeur van het Zeeuws Archief en bestuurslid van de Stichting Zeeuws Slavernijverleden van dichtbij betrokken bij het onderwerp slavernij. Hij vertelt over de ‘zwarte’ en de ‘witte’ kant van het slavernijverleden, de rol van Zeeland en de tentoonstelling in het Zeeuws Archief.

Waarom in 2004-2005 een jaar van het Zeeuwse slavernijverleden?
UNESCO heeft het jaar 2004 uitgeroepen tot Jaar van de Slavernij. Het slavernijverleden heeft twee kanten: een ‘zwarte’ en een ‘witte’. Heel lang leek het alsof de zwarte en de witte kant aparte geschiedenissen waren. Maar ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 trokken veel Surinamers en Antillianen naar Nederland. Mede daardoor is er in Nederland steeds meer aandacht gekomen voor de geschiedenis van de slavernij. Aan witte zijde is er veel wetenschappelijk onderzoek verricht naar slavernij en de slavenhandel. Maar de onderzoeksgegevens zijn eigenlijk nooit bewerkt voor het grote publiek. Dat komt mede doordat zowel aan witte als aan zwarte zijde met enige schroom en schaamte tegen dit beladen verleden wordt aangekeken. In geschiedenisboeken wordt weinig aandacht aan het onderwerp besteed: slavenhandel valt niet onder de heldendaden waarop de blanke mensen trots kunnen zijn. Veel nazaten van slaven hebben moeite met wat hun voorouders in het verleden is aangedaan. In 1999 is het Landelijk Platform Slavernijverleden opgericht, waarin zowel blanken als zwarten zitting hebben. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in de oprichting van een nationaal slavernijmonument en een kenniscentrum voor de slavernijgeschiedenis, het NiNsee.

Zeeland heeft ook een rol gespeeld in het slavernijverleden. Dat is bij het grote publiek nauwelijks bekend. Onder het motto ‘Doorbreek de stilte’ is in Zeeland de Stichting Zeeuws Slavernijverleden opgericht. De doelstelling is: het gedeelde verleden samen herkennen, erkennen en verwerken om de slavernijgeschiedenis díe plaats te geven in de maatschappij en in de geschiedenisboeken die recht doet aan de gebeurtenissen. Van 1 juli 2004
tot 1 juli 2005 proberen zoveel mogelijk organisaties, zowel wit als zwart, de stilte rondom het Zeeuwse slavernijverleden te doorbreken met activiteiten variërend van drama, tentoonstellingen, muziek tot een monument.

Waarom een Zeeuws slavernijmonument?
Naast Amsterdam/Holland heeft Zeeland zich in het verleden met verve op de slavenhandel gestort. Dit is in Zeeland zó bepalend geweest dat men vond dat er, behalve het nationale monument in Amsterdam, ook een herdenkingsmonument in Middelburg moest komen. De bedoeling is dat er op de Balans een monument komt waar men kan stilstaan bij het verleden. Hier was namelijk het voormalige pakhuis en commerciehuis van de Middelburgsche Commercie Compagnie, het stond tegenover het abdijcomplex, waar de Staten van Zeeland (het provinciebestuur) zitting hielden. Overigens had de provincie Zeeland zelfs enkele jaren Suriname in eigendom voordat het aan de West-Indische Compagnie (WIC) werd verkocht. Het monument zal onthuld worden aan het eind van het Zeeuwse Slavernij-jaar in 2005.

Hebben Zeeuwen slavenbloed aan hun handen?
De huidige Zeeuwen hebben geen slavenbloed aan hun handen. De Zeeuwen, voornamelijk Vlissingers en Middelburgers, die zich in de zeventiende en achttiende eeuw met deze handel hebben ingelaten, hebben dat wel. Maar je kunt de huidige Zeeuwen niet verantwoordelijk stellen voor de daden van hun voorvaderen. De huidige Zeeuwen zijn wčl verantwoordelijk voor de manier waarop ze met hun verleden, hun geschiedenis omgaan.

Zijn de monumenten van Middelburg en Vlissingen besmet?
Er zijn ongetwijfeld huizen gebouwd en verbouwd die gedeeltelijk zijn betaald met winsten uit de slavenhandel, maar je kunt niet stellen dat er ‘besmette’ monumenten zijn.

Hoe is de verhouding tussen de Zeeuwse slavenhandel en die van anderen?
In Zeeland was de slavenhandel voor Vlissingen belangrijker dan voor Middelburg. Tussen 1621-1730 had de WIC het alleenrecht op de slavenhandel tussen Afrika en Zuid-Amerika. Ook de Kamer Zeeland van de WIC, waarin zowel Middelburgse als Vlissingse kooplieden samenwerkten, hield zich volop met slavenhandel bezig. Toen de WIC in 1730 het alleenrecht op de slavenhandel verloor, hebben veel kooplieden uit Middelburg en Vlissingen zich buiten de WIC om op de slavenhandel gestort. De Middelburgse kooplieden verenigden zich binnen de MCC en de Vlissingse kooplieden handelden veelal individueel of in kleine gelegenheidscombinaties. Omdat het archief van de MCC vrijwel geheel bewaard is gebleven en er van de Vlissingse slavenhandel geen schriftelijk neerslag is overgeleverd, lijkt het alsof het Middelburgse aandeel in de slavenhandel groter was dan dat van de Vlissingse kooplieden, maar in werkelijkheid is dat andersom. In de transatlantische handel zijn in totaal circa negen miljoen slaven verscheept, waarvan ongeveer 550.000 door Nederland. De Zeeuwen (WIC, MCC en individuele handelaren) hebben circa 180.000 slaven verscheept. Van het totale aantal verscheepte slaven is twee procent verscheept door Zeeuwen.

Was er in Zeeland slavernij?
De West-Europese maatschappij kende na de Middeleeuwen geen slavernij. Dat is bijzonder in een periode waarin in andere werelddelen wel slavernij voorkwam. Dus ook in Zeeland werden geen slaven gehouden.

Zijn er nooit slaven geweest in Zeeland?
In 1596 kwam een op de Portugezen buitgemaakt schip met ongeveer honderd Afrikaanse slaven de haven van Middelburg binnenvaren. De Rotterdamse schipper wilde de slaven verkopen, maar de burgemeester van
Middelburg en de Staten van Zeeland verboden dat. In de Nederlanden bestond geen slavernij. De dominees moesten van de kansel afkondigen dat de slaven zouden worden vrijgelaten en dat de bevolking ze desgewenst in dienst kon nemen. Een aantal Afrikanen is in Middelburg overleden. Wat er precies met de overige Afrikanen is gebeurd, wordt nu onderzocht.

Waarom een tentoonstelling over slavernij in het Zeeuws Archief?
Het Zeeuws Archief draagt met de tentoonstelling bij aan het door de UNESCO uitgeroepen Jaar van de Slavernij (2004) en het Jaar van het Zeeuwse Slavernijverleden (1 juli 2004 – 1 juli 2005). Het onderwerp biedt het Zeeuws Archief een unieke kans om het archief van de Middelburgsche Commercie Compagnie, die zich vooral met slavenhandel bezighield, onder de aandacht van het grote publiek te brengen. De tentoonstelling zal onder de titel Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden, een beeld geven van de transatlantische driehoekshandel, waarvan de slavenhandel deel uitmaakte.

Wil het Zeeuws Archief een statement maken met deze tentoonstelling?
Het Zeeuws Archief wil laten zien wat het in huis heeft over actuele thema’s, in dit geval de slavernij. Het Zeeuws Archief wil geen statement maken. De archiefstukken spreken voor zich. De archiefdienst vestigt hiermee wel de aandacht op een onderwerp dat lange tijd onderbelicht is gebleven. Slavernij is een onderdeel van onze geschiedenis en hoort, net zo goed als de Tweede Wereldoorlog, een volwaardige plaats in onze geschiedenisboeken te krijgen.

Herdenking afschaffing van slavernij
PZC, 21.6.2004

 MIDDELBURG - Op 3 juli van 14.30 tot 15.00 uur treedt toneel- en zangvereniging Amazone op in de Balans in Middelburg.

De leden van het koor herdenken met liederen en gedichten de afschaffing van de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen van 1 juli 1863. De stichting Monument Middelburg wil hiermee het verleden een plaats geven in het heden.
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Zeeland herdenkt eigen slavernijverleden
Reformatorisch Dagblad, 26.2.2004 [door Ben Tramper] 

MIDDELBURG - Niet alleen de goudomrande pagina’s over de heldendaden van Michiel de Ruyter, maar ook de zwarte bladzijden over de slavenhandel mogen door Zeeland niet worden vergeten. ‘Dat deel van het verleden hebben we te veel met elkaar verdrongen”, aldus voorzitter drs. Roelof L. Koops van de stichting Zeeuws Slavernijverleden. Mede op zijn initiatief start de provincie op 1 juli een speciaal herdenkingsjaar.

Het sluitstuk, op 1 juli 2005, staat al bij voorbaat vast: het wordt de onthulling van een slavernijmonument in Middelburg. Als Koops het mag zeggen, komt het te staan op de Balans, een klinkerstraatje in het historische centrum van de provinciehoofdstad. ‘Een symbolische plaats’, zegt Koops. ‘Vlak bij de Abdij,

waar ten tijde van de slavenhandel het bestuurscentrum van Zeeland zetelde, en niet ver van een van de voormalige pakhuizen van de Middelburgsche Commercie Compagnie.’

Voorafgaand aan de onthulling van het slavernijmonument staat een reeks van evenementen op stapel. Zoals het tweedaagse symposium ‘Slavernij en Identiteit’, lezingen, theater, tentoonstellingen en tal van bijeenkomsten over de mensenhandel vroeger en nu, waarbij in het laatste geval te denken valt aan kinderarbeid en vrouwenhandel. De Zeeuwse Maand van de Vrijheid, traditioneel in mei gehouden, zal naar verwachting in het teken van de slavernij staan.

Nog niet alle activiteiten zijn financieel rond. Er lopen diverse verzoeken om subsidie bij overheden en fondsen. ‘Maar de steun voor ons project is groot’, weet Koops. Ook de Hogeschool Zeeland in Vlissingen is nauw betrokken bij de plannen. Vijf studenten ontwikkelen een project voor het basisonderwijs.

Koops, in het dagelijks leven directeur van het Zeeuws Archief, houdt zich intensief bezig met het onderwerp mensenhandel. De Middelburgse historicus neemt aan allerlei projecten deel, zowel op landelijk als regionaal niveau. Zo is hij bestuurslid van het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis, dat vorig jaar is opgericht en zich ten doel stelt ‘de stilte rond het slavernijverleden te doorbreken.’

Dat Zeeland een jaar lang een eigen invulling geeft aan de herdenking van het slavernijverleden, is volgens Koops niet zo vreemd, gelet op de participatie van de Zeeuwen in de handel van vooral mensen uit Afrika. Eerst deed de provincie mee via de West-Indische Compagnie (WIC), een handelsorganisatie waarin zij samen met Holland de eerste viool speelde. Later werd de Middelburgse Commercie Compganie (MCC) opgericht, geleid door de invloedrijkste heren van Zeeland.

In totaal zijn door Nederland vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot de afschaffing van de slavernij in 1803 naar schatting 550.000 slaven verhandeld. De MCC, waarvan de gegevens over de jaren 1730 tot 1803 liggen opgeslagen in de archieven van het Zeeuws Archief, had daarin een groot aandeel. Onderzoekers houden er rekening mee dat de Middelburgers ruim 257.000 Afrikanen aan de man hebben gebracht.

De handel vond plaats via de zogenaamde transatlantische driehoek. Vanuit de Zeeuwse havenplaatsen werd allerlei handelswaar (spiegeltjes, textielsoorten, buskruit) naar Afrika verscheept. In landen als Guinee en Angola ruilden de Zeeuwen de goederen voor slaven. Die waren gevangengenomen bij oorlogen tussen inlandse vorsten of opgepakt bij razzia’s. Zeeuwse kapiteins voeren vervolgens ladingen van zo’n 350 slaven naar Amerika. Degenen die de zeereis overleefden, werden op veilingen verkocht. Van de opbrengst schaften de handelaren allerlei artikelen op de plantages aan, waarmee ze koers zetten naar de thuishavens.

Of Zeeland van de slavenhandel rijk is geworden, is volgens Koops moeilijk te zeggen. ‘Er wordt verschillend over gedacht. Prof. P. Emmer zegt dat het bij elkaar om zo’n 2 procent van het bruto nationaal product gaat. Maar dat wordt weersproken door vooral nazaten van de slaven. Als het weinig had opbracht, dan hadden de Hollanders en Zeeuwen er wel van afgezien. Volgens mij kon men tijdens één individuele reis grote winsten boeken, maar waren de opbrengsten over de lange termijn genomen niet buitensporig veel. De risico’s waren ook groot.’

Wat de behandeling van slaven betreft heerst onder historici eveneens verdeeldheid. Koops zou op dit punt meer wetenschappelijk onderzoek wensen. ‘Natuurlijk waren de omstandigheden aan boord, maar ook op de plantages, erbarmelijk. Maar ik zou er meer over willen weten. Tot nu toe is vooral de economische kant van de slavenhandel systematisch onderzocht. Ik ben benieuwd wat onderzoek van de scheepsjournalen en de journalen van scheepschirurgijns opleveren. Welke middelen hadden ze bij zich? Voor de handelaars zou het alleen al vanuit financieel oogpunt ongunstig zijn geweest als er onderweg veel slaven stierven.’

De ethische kant verdient volgens Koops ook meer studie. Hij wijst op een merkwaardig archiefstuk uit 1596 waarin de Staten van Zeeland besluiten dat 'honderd Moren en Morinnen', buit gemaakt op de Portugezen, niet mogen worden verhandeld, maar moeten worden vrijgelaten. ‘Toch doen de Zeeuwen twee decennia later mee aan de slavenhandel. Vanwaar die bizarre positieverandering? Kwam die alleen maar voort uit winstbejag? Door Zeeuwse predikanten werden wel eens kanttekeningen bij het beleid geplaatst, maar toch ben ik nooit een stuk tegengekomen waaruit maximaal verzet blijkt. Veelal werd de handel goedgepraat met een beroep op de vervloeking van Cham door Noach.’

Zeeland heeft, net als de rest van Nederland, het slavernijverleden tot nu toe verdrongen, vindt Koops. Niet zonder reden wil hij pleiten voor een bewustwording van de mensenhandel. ‘De slavernij stond altijd ver van ons bed. Ook bij onze voorouders, die er direct bij betrokken waren, was dat het geval. Dat komt mede doordat zij de verschrikkingen zelf nooit letterlijk onder ogen hebben gezien.’

Onder meer door de komst van Antillianen en Surinamers naar Nederland worden de Zeeuwen met hun verleden geconfronteerd. Koops: ‘Voor de nazaten van de slaven zijn de gebeurtenissen traumatisch. Wij mogen dat niet naast ons neerleggen. Het is beter dat we samen de geschiedenis laten herleven. Laten we gezamenlijk herkennen en erkennen wat er is gebeurd. Op die manier ontstaat er ruimte voor verwerking.'

Geschiedenis is te complex op in één monument te vangen
PZC, 6.2.2004 [door Ernst Jan Rozendaal]

MIDDELBURG - Herdenkingsmonumenten zijn niet meer van deze tijd. Ze kunnen nooit de gecompliceerdheid van een beladen verleden weergeven.

Dat geldt voor oorlogsmonumenten maar bijvoorbeeld ook voor een monumentom de slavernij te herdenken.

Dat betoogde Piet Emmer, hoogleraar in Leiden en auteur van De Nederlandse slavenhandel 1500-1850, gisteravond in Middelburg tijdens het debat dat het Zeeuws Museum had georganiseerd over het thema beeldmoraal. Emmers uitspraken gaan lijnrecht in tegen het streven in Middelburg een slavernijmonument neer te zetten. Als de overheid een slavernijmonument subsidieert - Middelburg heeft er 50.000 euro voor uitgetrokken - dan wordt anno 2004 de slavenhandel afgekeurd, aldus Emmer. Dat wekt de indruk dat alleen Nederlanders zich ermee bezighielden, of alleen Europeanen, terwijl ook Afrikanen en Aziaten er hun steentje aan hebben bijgedragen. Die nuance geeft een monument niet.
Verder was slavenhandel indertijd legaal en was de morele verontwaardiging erover gering. Dus in hoeverre is er sprake van schuld? Emmer wees erop dat de meeste morele oordelen over de slavenhandel van latere makelij zijn, net als inzichten over de bejegening van dieren, homoseksuelen en vrouwen.
Emmer kon zich indenken dat een belangengroepering een slavernijmonument betaalt, maar niet dat de overheid dat doet. Volgens hem zouden dan veel mensen meebetalen aan een eenzijdig beeld van de geschiedenis, waarmee ze het eigenlijk niet eens zijn. Tenslotte vond hij dat via tentoonstellingen, radio, televisie, video en internet een veel completer geschiedenisverhaal kan worden verteld dan met een monument. Alleen zouden kransleggingen dan een probleem worden. Behalve Emmer leidden ook adjunct-directeur Peter Sijnke van het Zeeuws Archief en historicus Kees Ribbens het debat in. Naast het slavernijmonument was de afgeblazen aankoop van een schilderij van voormalig NSB’er Reimond Kimpe door de gemeente Middelburg, vier jaar geleden, onderwerp van discussie.
Directeur Valentijn Byvanck wilde de kunst die er vanwege morele argumenten niet mocht komen die welke er moet komen als twee zijden van één medaille zien, maar dat kwam niet helemaal uit de verf. Het debat spitste zich toe op het slavernijmonument en de vraag of zoiets niet meer van deze tijd is.
Volgens Rutger Wolfson van de Stichting Beeldende Kunst Middelburg is de tijd nog niet rijp om gehoor te geven aan het pleidooi van Emmer.
De Middelburgse wethouder Adri van ’t Westeinde betoogde dat het monument niet alleen wordt neergezet met het oog op het verleden, maar ook in verband met slavernij en onvrijheid nu en in de toekomst.
En directeur Roelof Koops van het Zeeuws Archief wees Emmer erop dat het monument onderdeel is van een reeks van activiteiten, waarmee wel degelijk gepoogd wordt een genuanceerd beeld te geven van de slavernij.
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Onenigheid over slavernijmonument
PZC, 29.1.2004 [door Ernst Jan Rozendaal]

MIDDELBURG - In Middelburg is onenigheid ontstaan over het ontwerp voor een slavernijmonument. Daardoor zal dit monument niet op 1 juli onthuld worden als opening van een reeks activiteiten waarmee een jaar lang het Zeeuwse slavernijverleden wordt herdacht. „Misschien kunnen we met de onthulling de manifestaties in het teken van de slavernij afsluiten“, zegt wethouder A. van ’t Westeinde van Middelburg.

De gemeente heeft voor het monument, dat een plek krijgt aan de Balans, 50.000 euro uitgetrokken. De initiatiefnemer Stichting Monument Middelburg (SMM) heeft het afgelopen jaar samen met de commissie kunst in de openbare ruimte van de Stichting Beeldende Kunst Middelburg (SBKM) de totstandkoming van het monument voorbereid. De SBKM-commissie wil de gemeente adviseren een ontwerp uit te voeren van de in Amsterdam woonachtige Surinaamse kunstenaar Remy Jungerman.

Omdat de SMM heeft aangegeven dat ontwerp onacceptabel te vinden, heeft Van ’t Westeinde bij voorbaat besloten het advies niet op te volgen.

„De SMM en de SBKM zouden het selectieproces samen uitvoeren“, verklaart de wethouder. „Nu blijkt het verschil van inzicht zo groot dat we in goed overleg hebben besloten dat ieder zijn eigen weg gaat. Dat betekent dat de stichting een nieuwe procedure opzet om tot een monument te komen, zonder verdere inmenging van de SBKM. Gevolg is dat we zo goed als zeker kunnen vergeten dat het monument er op 1 juli is.“

Jungerman heeft een beeld ontworpen van een platgeslagen pad op een sokkel. De sokkel verwijst naar het schavot waarop slaven vroeger werden geplaatst. De platgeslagen pad verwijst naar de krenking van de slaven en hun nazaten. Hij draagt een kroontje om aan te geven dat hij - in de woorden van de kunstenaar - in een ’trotse megaprins’ verandert wanneer hij wordt gekust.

Wrang
Volgens secretaris A. Ralf van de SMM is het ontwerp van Jungerman een ’ludiek’ kunstwerk en niet een waardig monument ter nagedachtenis van de slavernij.

Directeur R. Wolfson van de SBKM erkent dat het ontwerp niet zonder humor is. „De kunstenaar ziet het als een manier om meer mensen bij de discussie te betrekken. Maar het beeld van het schavot is natuurlijk heel wrang. Het mooie van dit beeld vonden wij dat het niet alleen naar het verleden verwijst, maar ook naar heden en toekomst. Er is nog steeds ongelijkheid in de samenleving en we hebben als het ware allemaal de opdracht de pad te kussen om zo een bijdrage te leveren aan een rechtvaardiger samenleving. Jungerman heeft gekozen voor een moderne beeldtaal waarmee naar onze mening ook jongere generaties worden aangesproken.“

Volgens Ralf voldoet het ontwerp niet, evenmin als drie andere voorstellen die zijn ingediend. „We zijn als goede vrienden uiteen gegaan. Als stichting gaan we ons nu beraden op een nieuwe opdracht. Die zullen we nauwkeuriger formuleren en en anders dan deze keer zullen we er geen open aanbesteding van maken. Dat houdt het aantal kunstenaars beperkt en de procedure zo kort mogelijk.“

Ook zij denkt dat 1 juli geen reële datum meer is. „We mikken nu op 1 juli 2005. Dan is de onthulling een sluitstuk van de herdenking van de slavernij. En gaat het sneller, dan wordt het misschien een hoogtepunt midden in het herdenkingsjaar.“
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Slavernijverleden geen taboe
PZC, 27.1.2004 [door Rinus Antonisse]

MIDDELBURG - Pas dertig jaar na Engeland en vijftien jaar na Frankrijk schafte Nederland in 1863 de slavernij in de koloniën - met name Suriname - af. Dat het zolang duurde was niet toevallig. Langere tijd bracht de slavenhandel bij heel wat kooplieden en regenten veel geld in het laatje. Huidige generaties profiteren er nog van.

In Zeeland was het big business. Via de West-Indische Compagnie (WIC) en later ook de Middelburgse Commercie Compagnie werden duizenden negers onder erbarmelijke omstandigheden van Afrika naar Zuid-Amerika verscheept.

Hollands glorie, uitgedragen via de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) krijgt graag en veel aandacht. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als machtigste natie. Voor de Westindische Compagnie is de belangstelling veel geringer. Zeker een kernactiviteit van deze WIC - de slavenhandel - wordt liever niet nadrukkelijk in de schijnwerpers gezet. Zeeland gaat dat dit jaar toch doen.

De Stichting Zeeuws Slavernijverleden wil van de mensenhandel een themajaar maken, met allerlei activiteiten. Zoals onthulling van een Middelburgs slavernijmonument, een symposium ‘wit over zwart en zwart over wit’, bijeenkomsten over de mensenhandel vroeger (slaven) en nu (kinderarbeid, vrouwenhandel), lezingen, film, muziek, theater, tentoonstellingen en diverse publicaties. Eindigend bij de Maand van de Vrijheid, mei 2005.

Vooruitlopend op het slavernij-jaar heeft de werkgroep Geboeid door het Verleden, gevormd door vijf studenten van de Hogeschool Zeeland, een project voor het basisonderwijs ontwikkeld. Bestaande uit een lessenserie en een historische wandelroute door Middelburg, waar op menige plek nog herinneringen aan de slavenhandel te vinden zijn. Voor het vijftal vierdejaars studenten van de Pabo was het een afstudeerproject, dat afgelopen half jaar met stijgend enthousiasme is uitgevoerd. Tot en met het zelf timmeren van een leskist.

Paul Constandse, Johan van de Merbel, Gwendolijn Meulenbroek, Tjerk Spaans en Gerard Verkuil heten ze. Op zoek naar een onderwerp voor hun afstudeerproject geschiedenis stuitten ze op een mailtje van de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) waarin aandacht werd gevraagd voor het slavernijverleden van Zeeland.

Hoewel net als bijna elke Zeeuw onbekend met het onderwerp, wilden de vijf studenten er wel mee aan de slag. ‘We hebben ons er nader in verdiept en toen bleek dat voor het onderwerp slavernij heel veel mogelijkheden waren. Eigenlijk teveel’, zegt Constandse. ‘De slavernij komt bijna niet in de lesmethoden voor het basisonderwijs voor. Daarom hebben we er ook voor gekozen’, vult Spaans aan. ‘We hebben een beetje een taboe doorbroken’, meent Constandse.

Ze hebben hun lessenserie voor de groepen een tot en met acht het thema ‘hoe vrij ben jij?’ meegegeven. Van de Merbel maakt duidelijk dat er bewust van de historische gebeurtenissen een verbinding met het heden is gelegd, dus ook aandacht voor kinderarbeid, discriminatie, rechten van het kind - kortom, allerlei vormen van onderdrukking die vandaag spelen.

Er is uiteraard rekening gehouden met de leeftijdsopbouw op de basisschool. Groep een begint aan het onderwerp aan de hand van een prentenboek over pesten en groep acht moet zich bezig houden met zinloos geweld. Omdat er maar één leskist is, kunnen de onderwijzers de lessen van een website halen.

In het kader van wat heet ‘omgevingsonderwijs’ is een looproute door Middelburg uitgestippeld (die door het Zeeuws Archief wordt uitgegeven, zodat iedereen er kennis mee kan maken). Van de Merbel: ‘We zijn een beetje geschrokken. Heel Middelburg zit nog vol elementen die aan de slavernij herinneren. Die was hier geconcentreerd.’

Meulenbroek geeft aan dat voorwerpen die met de slavernij te maken hebben, de lessen ondersteunen. Ze noemt als voorbeeld slavenkralen. ‘Die werden onder meer in Middelburg gemaakt en ze werden in Afrika gebruikt als betaalmiddel om er de slaven mee te kopen. Het was een vorm van huisnijverheid. In de Blindenhoek in Middelburg was er in de tuin een oventje waar de kralen gebakken werden. Restanten daarvan zijn opgespit.’

Ander voorbeeld: de kaurischelpen, ook een betaalmiddel. De VOC haalde die uit Ceylon (nu Sri Lanka), verkocht ze door aan de WIC en die betaalde er in Afrika mee. Een schip met die schelpen aan boord verging voor de Westkappelse kust en zo komt het dat de tropische schelpen op de Zeeuwse kust gevonden zijn.

De studenten constateerden dat slavenhandel destijds heel gewoon was. Zo kreeg een Engelsman een prijs voor de beste methode om slaven in een scheepsruim te sparen. ‘Toen waren het helden. Daar kijken we nu anders tegenaan’, merkt Van de Merbel op.

Het vijftal ziet de aandacht voor de slavernij niet als het terugbetalen van een oude schuld. ‘Het was de geest van de tijd. Je moet er wel aandacht aan besteden. Het is een belangrijk stukje geschiedenis, dat niet weggestopt mag worden’, aldus Constandse. ‘Kinderen weten er weinig van af. Onze bedoeling is ze ermee kennis laten maken, niet ze een schuldgevoel aan te praten.’ De studenten die lesmateriaal over slavernij gemaakt hebben. Vlnr: Gwendolijn Meulenbroek, Paul Constandse, Johan van de Merbel en Tjerk Spaans. Op de achtergrond is het huidige pand van de Middelburgse Kunstuitleen te zien, dat vroeger ook een rol in slavenhandel heeft gespeeld.

Lessen over slavernijverleden voor Zeeuwse basisscholen
PZC, 23.1.2004 [door Rinus Antonisse]

VLISSINGEN - Onder het motto ‘geboeid door het verleden’ hebben vijf studenten van de Hogeschool Zeeland een lessenserie en historische wandelroute over de slavernij gemaakt. Die is gericht op de Zeeuwse basisscholen. Het project werd gisteren gepresenteerd.

Het vijftal aanstaande onderwijsgevenden, vierdejaars aan de Pabo, heeft zich verenigd in een werkgroep en ruim een half jaar aan het afstudeerproject gewerkt. Het is de eerste activiteit in een Zeeuws themajaar over het slavernijverleden.

Bij de handel in slaven speelden Zeeuwse ondernemers een vooraanstaande rol. Ruim 400 jaar waren de Nederlanders actief betrokken bij de slavernij. De kamer Zeeland van de West-Indische Compagnie en de Middelburgse Commercie Compagnie waren zeer actief op het gebied van de slavenhandel. Nederland schafte pas zeer laat, in 1863, de slavernij in Suriname officieel af.

Paul Constandse, Johan van de Merbel, Gwendolijn Meulenbroek, Tjerk Spaans en Gerard Verkuil kregen het onderwerp slavernij aangereikt via de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ). Nadat ze zich er eenmaal in verdiept hadden, groeide het enthousiasme.

Resultaat: een leskist met informatie en materiaal dat verwijst naar de slavenhandel, zoals kralen en kauri-schelpen. Er zijn twee lessenseries gemaakt: ‘hoe vrij ben jij?’ en ‘slavernij’. Omdat er maar één leskist beschikbaar is, staat alle informatie ook op een website. Leerkrachten die het project op school willen uitvoeren, kunnen daaruit putten.

Spittend in de archieven kwamen de vijf studenten veel informatie tegen, die de slavenhandel dichtbij huis brengt. Zoals het verhaal over een gekaapt schip met aan boord 130 zwarte mensen, dat in 1596 in Middelburg aanlandde. Het was voor het eerst dat Afrikanen bestemd voor de slavenhandel de Zeeuwse hoofdstad aandeden en ze werden ook een dag tentoon gesteld. Daarna kregen ze de vrijheid: in Nederland zelf was geen slavernij. Belangstellenden mochten de negers in dienst nemen als ze zorgden voor een christelijke opvoeding.

De tijd ontbrak de studenten om te achterhalen waar deze vrijgelaten slaven zijn gebleven. Een medewerker van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam doet daar wel onderzoek naar.

In Middelburg zijn nog verschillende gebouwen aanwezig, die via de West-Indische Compagnie mede gebruikt werden voor de slavenhandel. In de Blindenhoek werden als vorm van huisnijverheid in een oven kralen gebakken, die in Afrika dienst deden als betaalmiddel voor aankoop van slaven. Een en ander is door de studenten verwerkt in een route, die in de loop van het jaar door het Zeeuws Archief wordt uitgegeven.

UNESCO houdt herinnering aan slavernij levend
PZC, 10.1.2004

Cape Coast - In de Afrikaanse staat Ghana is het jaar ingeluid ter herinnering aan de slavernij. Dat gebeurde tijdens een bijeenkomst in de Ghanese stad Cape Coast, die in het verleden fungeerde als doorvoerhaven van duizenden zwarten die naar Amerika werden verscheept.

De bijeenkomst was een initiatief van Unesco, de VN-organisatie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Directeur-generaal Koichiro Matsuura verklaarde dat de herdenking niet alleen is bedoeld als uiting van ‘historische solidariteit’ met de slachtoffers van de slavernij. Ze moet tevens de aandacht vestigen op de nog steeds voortdurende strijd tegen racisme, discriminatie, xenofobie en intolerantie.

Slavernij komt in moderne gedaanten nog steeds voor, zoals dwang- en kinderarbeid, mensensmokkel en gedwongen prostitutie. Volgens de Verenigde Naties verrichten ongeveer 700.000 mensen arbeid onder dwang. Kinderarbeid komt nog veel meer voor. Het jaar 2004 is uitgekozen omdat het tweehonderd jaar geleden is dat Haďti werd uitgeroepen tot de eerste onafhankelijke zwarte republiek.

Slavernij krijgt een gezicht
Trouw, 6.8.2003 [door Esther Hageman]

,,Ik stam af van twee Surinaamse slaven die op 1 juli 1863 zijn vrijgelaten'',

 zegt J. Sang-Ajang, jurist te Rotterdam.

 ,,Dankzij die database ben ik daar nu achter.

 Voordat-ie bestond was ik al twee jaar aan het zoeken.

 Maar dit maakt het veel gemakkelijker.'

' Sinds 1 juli heeft het Nationaal Archief op internet een database over de slaven

en de slaveneigenaren van Suriname.

e twee voor-moeders van Sang-Ajang zijn twee van de 34000 slaven die 140 jaar geleden in Suriname werden vrijgelaten, toen de slavernij in de Nederlandse koloniën (met in totaal 45000 slaven) dan eindelijk echt werd afgeschaft. Op zich was het besluit daartoe al in 1848 genomen - nou ja, 'al': de Engelsen deden dat al in 1833 en de Fransen in 1845. In Nederland zou het na 1848 nog vijftien jaar duren voor men het eens was over de vergoeding die de eigenaren er van de overheid voor kregen.

Het werd een bedrag-per-vrijgelaten-slaaf, van 300 gulden. De afschaffing van de slavernij in Suriname heeft dus een dikke tien miljoen gulden gekost. Van die vrijgelaten slaven maakte de Algemene Rekenkamer - die bestond toen ook al - een keurige lijst gegevens: wie was de eigenaar, hoeveel slaven bezat die, waar werkten zij, wat was hun beroep, hoe oud waren ze en welke religie hadden ze. Ter controle reisde er vervolgens een commissie langs de plantages. Die checkte of er niet méér slaven werden opgegeven dan werkelijk bestonden, en zag erop toe dat elke slaaf een achternaam kreeg. Dat moest een 'nieuwe' naam zijn: hij mocht niet al in Suriname voorkomen.

Dat is dus het moment geweest dat slavin Josefina, voormoeder van Sang-Ajang, Josefina Zak is gaan heten. Ze werkte op de plantage Groot Marseille in het district Cottica, zo'n 200 kilometer ten zuidoosten van Paramaribo en kreeg tegelijk met acht familieleden die achternaam. Sang-Ajangs andere voormoeder is Magdalena Bens. Zij was een huisbediende van 39 toen ze, tegelijk met haar dochters Dientje (13) en Anna (10), werd vrijgelaten. Ze werkte in de huishouding bij de, joodse, familie Baëza in Paramaribo. Andere slaven van de Baëza's, die net als Magdalena, Dientje en Anna familie van elkaar waren, kregen de achternaam 'Baza' mee. Alleen de e met trema is dus uit de naam verdwenen. Sang-Ajang: ,,Dat zie je vaker: een verband tussen de naam van de eigenaar en die van de vrijgelaten slaaf. Maar hoe ze van Baëza op Bens zijn gekomen, daar ben ik nog niet achter. Daar kom ik misschien ook wel nooit achter.''

Het doet Sang-Ajang veel, die speurtocht naar zijn voorouders. ,,Ik ben er letterlijk elke dag wel even mee bezig. Inmiddels heb ik wel zo'n 90 procent klaar. Maar het besef dat je voorouders slaaf zijn geweest is heel indringend. Het laat je nadenken: wat is er toch aan de hand geweest, dat de ene mens de andere denkt te kunnen bezitten? Al moet je uitkijken dat je niet met de bril van vandaag naar de situatie van toen kijkt.''

Vóór 1863, toen alle slaven tegelijk de vrijheid kregen ('geëmancipeerd werden', in het jargon van historici) kon een individuele slaaf ook worden vrijgelaten. 'Gemanumitteerd worden', heette dat - en vanaf 1832 werd dat in een register bijgehouden. Vanaf toen tot de afschaffing van de slavernij is het ruim 6300 keer voorgekomen. Tussen Sang-Ajangs voorouders komt een Duitse man voor, Johann Friedrich Wergus, die in 1816 naar Suriname komt. In 1834 krijgt hij uit een erfenis een slavin. Met die slavin wil hij een paar jaar later trouwen. Maar trouwen, dat konden alleen vrije mensen - slaven niet. Wergus manumitteert zijn geliefde dus, en trouwt haar. Maar tegelijk koopt hij een paar nieuwe slaven, die hij aan zijn zojuist vrijgelaten echtgenote cadeau doet. Sang-Ajang: ,,Zo gewoon, zo vanzelfsprekend, moet slavernij dus zijn geweest. Tegelijk zie je ook dat veel slaven probeerden weg te lopen - die hadden dus wel degelijk het verlangen vrij te zijn. Maar er zijn er ook geweest die hebben gedacht: 'nu heb ik elke dag een bord warm eten, en wat ik dan heb weet ik niet'. Die bleven.''

De maker van de database, historicus Okke ten Hove, is al tien jaar bezig met het slavernijverleden van Suriname. Zo zette hij eerder al in een boek alle slaven bijeen die tussen 1832 en 1863 individeel zijn vrijgelaten. Ook die zijn inmiddels in een doorzoekbare database te vinden. Samen met de gepensioneerde leraar Heinrich Helstone ging Ten Hove vervolgens verder met de vrijgelaten slaven van 1863. In Den Haag lag het register dat de Rekenkamer in 1863 maakte; in Suriname ligt het Emancipatieregister, van de controlecommissie die later dat jaar de plantages langsreisde, waarin de vrijgelaten slaven achternamen hebben. Ten Hove ging - met subsidie van NWO - naar Suriname en nam die achternamen over, om ze toe te kunnen voegen aan het register van de Rekenkamer. Helstone deed het monnikenwerk om alle gegevens vervolgens in één database in te voeren.

Ten Hove: ,,Het aardige van dit werk is, dat de slavernij er een gezicht door krijgt. Mijn echtgenote is Surinaamse en heet Serkei. Dat betekent, weten we nu, dat haar voorouders slaaf geweest zijn van een familie Keizer. Kei-zer werd Ser-kei. Vóór 1832 kreeg een slaaf die werd vrijgelaten meestal de achternaam van de eigenaar, maar dan met 'van' ervoor. Na 1832 mocht dat niet meer. Toen kreeg je verkappingen en omdraaiingen, zoals dat Serkei.''

Behalve de vrijgelaten slaven van 1863 geeft de database van het Nationaal Archief, al langer, ook gegevens over de latere bevolkingsgroepen die naar Suriname kwamen: achtereenvolgens de Chinezen, de Hindoestanen en de Javanen. Zij kwamen niet als slaaf, maar als 'arbeidscontractant'.

Chinezen kwamen vanaf 1853 twintig jaar lang naar Suriname. De slavernij was in Suriname nog niet, maar in de buurlanden Brits (westelijk) en Frans (oostelijk) Guyana al wel afgeschaft. Op de Surinaamse plantages ontstond daar gebrek aan arbeidskrachten door, want het maakte weglopen aantrekkelijker. In de twintig jaar dat China het toestond dat z'n inwoners emigreerden, zijn er 2780 naar Suriname gegaan. Maar ze bleven er vaak maar kort. Dat kwam doordat Chinese mannen hun vrouw niet mochten meenemen. Daardoor bleven ze een jaar of vijf in Suriname en gingen dan weer terug. In 1905 waren er nog maar 1160 Chinezen in Suriname.

Hindoestanen, is: Indiase immigranten, kwamen vanaf 1873 naar Suriname. Vóór die tijd waren er ook al wat Hindoestanen, maar die hadden eerst al gewerkt op de Britse kolonies in de Caribische zee. In totaal zijn er zo'n 35000 Hindoestanen naar Suriname gekomen, van wie tweederde er is gebleven.

Ook Javanen - eigenlijk een verkeerde term, want niet iedereen die uit het voormalig Nederlands-Indië naar Suriname kwam, kwam van Java - kwamen na de afschaffing van de slavernij als contractarbeider naar Suriname. Van de Javanen zitten in de database ook foto's. Javanen kwamen vanaf 1890 naar Suriname en zij bleven komen tot de Tweede Wereldoorlog. Ze reisden via Amsterdam. In de vijftig jaar van de Javaanse immigratiestroom zijn er bijna 33000 naar Suriname gekomen. Ruim 8500 zijn later weer teruggegaan naar - inmiddels - Indonesië. Javanen werkten meestal op de plantages, maar ook wel bij de aanleg van de spoorwegen en in de bauxietfabriek in Moengo.

De Surinaamse geschiedenis begint zo onderhand dus aardig in kaart gebracht te raken. Maar het werk is nog lang niet af. Sang-Ajang is inmiddels zelf bezig een database aan te leggen van alle slaven die tussen 1804 en 1863 zijn weggelopen of verkocht. Daarvoor pluist hij oude kranten na, want de eigenaar zette daar destijds een bericht over in de krant: 25 gulden vanggeld voor wie hem of haar terugbrengt. Sang-Ajang: ,,Bij koeien deden ze dat ook: 'roodbonte koe, drie jaar oud', en dezelfde beloning. Het lijkt me wel aardig om die berichten in dat boek naast elkaar te zetten.''

Slavernij ontbreekt in geschiedenisboeken
PZC, 17.6.2002 [door Nadia Berkelder]

MIDDELBURG - Het is hoog tijd dat Nederlanders kennis nemen van de rol die

ons land speelde in de slavenhandel. Tijdens een debatmiddag in het

Zeeuws Archief in Middelburg pleitten zaterdag alle sprekers voor opname

van het Nederlandse slavernijverleden in de geschiedenisboeken.

,,De grote Nederlandse massa weet er niets van``

, zei de Surinaamse schrijfster Cynthia McLeod.

Historici hebben nog maar sinds een paar jaar interesse in de slavenhandel, zei Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde in Leiden. Duidelijk is wel dat de Nederlanders en de Zeeuwen een rol speelden in het vervoer van Afrikanen naar de Westelijke koloniën. "De Middelburgsche Commercie Compagnie zat tot over zijn oren in de slavernij." Erkenning is belangrijk, zei hij. Door alleen de glorie van de Gouden Eeuw te belichten, wordt een onvolledig beeld gegeven van de geschiedenis. "We kunnen niet met fatsoen over ons eigen verleden praten als we niet in staat zijn om op een verantwoorde manier terug te kijken." Bovendien wonen de nazaten van de slaven nu in Nederland. "Het verleden is thuisgekomen. We kunnen er niet meer omheen lopen."

Gedenkteken
Het is belangrijk dat het slavernijverleden een waardige plaats krijgt in het geschiedenisonderwijs, zei ook Cynthia Mcleod. Een monument dat herinnert aan de slavenhandel is slechts een begin. En zo'n gedenkteken moet echt in Nederland staan. "In Suriname zijn genoeg herinneringen aan de slavernij. Heel Suriname is een monument voor de slavernij. Zonder de slaven was er geen Suriname geweest."
De groeiende belangstelling voor de geschiedenis van de slavenhandel verklaarde ze uit de bewustwording van Surinamers en Antillianen. Lange tijd werd de eigen cultuur onderdrukt. Kinderen leerden Nederlands in plaats van hun eigen taal. Op school leerden ze dat de Rijn bij Lobith 'ons land' binnenstroomt. Dat veranderde toen Surinamers naar Nederland kwamen en ontdekten dat zij heel veel van Nederland wisten, maar Nederlanders bijna niets van hen. Veel Nederlanders wisten niet eens waar Suriname lag. Surinamers begonnen zich te verdiepen in de eigen taal en cultuur.

Oneens
Tijdens de forumdiscussie was men het maar over één ding oneens: de rol die de Afrikaanse vorsten bij de slavenhandel speelden. "Wij hebben elkaar niet verkocht", zei een man uit het publiek. "Dat is een mythe." R. Koops, directeur van het Zeeuws Archief, nodigde hem uit te komen kijken naar de kleine tentoonstelling die zaterdag speciaal was ingericht. "Daar zijn stukken van, dat is een historisch feit." Gert Oostindie vond de rol van Afrikanen zelf niet relevant voor de discussie. "Het gaat erom dat wij daar waren en daar niets te zoeken hadden."
Op 1 juli wordt in Amsterdam het Nationaal monument Nederlands slavernijverleden onthuld. Het is die dag 139 jaar geleden dat Nederland de slavernij afschafte.
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Plan Slavenmonument Middelburg krijgt bijval
PZC, 13.6.2002 [door Nadia Berkelder]

MIDDELBURG - De Middelburgse gemeenteraad steunt het voorstel van GroenLinks om een monument ter herinnering aan het slavernijverleden op te richten. Dat bleek gisteren tijdens de commissie maatschappelijke zaken. Alleen de kleine christelijke partijen zien niets in het idee.

Op 1 juli wordt in Amsterdam een nationaal monument onthuld. Volgens fractievoorzitter J. Goetheer van GroenLinks
is dat geen reden om af te zien van een apart Zeeuws gedenkteken. "In tal van plaatsen staan ook monumenten ter nagedachtenis aan de Tweede Wereldoorlog."

Rol
I. de Baas van de Stichting Monument Middelburg, de organisatie die zich inzet voor de realisatie van het monument, benadrukte dat Middelburg een belangrijke rol heeft gespeeld in de slavenhandel. "Er is niet voor niets in Suriname een fort dat Fort Zeelandia heet. Zeeland heeft een verleden gehad en dat willen wij niet onder het tapijt schuiven."
De stichting wil dat het verleden bespreekbaar wordt gemaakt.
Een monument is een eerste stap in dat proces. De stichting wil komend schooljaar scholen bezoeken om de jeugd te informeren over de slavenhandel en de rol die Nederland daarin heeft gespeeld.
Volgens De Baas is erkenning van dat aspect van de geschiedenis ook belangrijk voor de positie van nazaten van slaven in de samenleving.
M. Riedijk (CDA) wilde weten waarom er geen overleg is geweest met de Stichting Beeldende Kunst Middelburg, die bezig is met de realisatie van een VOC-monument. K. Hamelink (ChristenUnie) vroeg of een monument wel een geschikte manier is om het verleden te herdenken.
Hij pleitte voor meer aandacht op scholen. "Dat zou een meer actieve manier van herdenken zijn dan een passief monument." B. de Ruiter (SGP) vond dat Zeeland niet de geschikte plaats was voor een slavernijmonument. "Slavernij heeft op andere plaatsen plaatsgevonden. Er zijn wel mensen van hier bij betrokken geweest. Je kunt ook daar ter plaatse een monument neerzetten."

Steun
R. van Eijkelenburg (D66) steunde het idee. "We leiden met enige trots gasten rond langs de monumenten in de stad. Het zou van beschaving getuigen als we daar iets tegenover kunnen stellen. Hoe zijn we eigenlijk aan die monumenten gekomen?" Ook H. Kool-Blokland (CDA) is voorstander van een monument. "Wat er na komt, de discussie, dat vindt ik eigenlijk het belangrijkste. Koppel er een educatief project aan."
Welke vorm het monument moet krijgen is nog niet duidelijk. "We willen in samenspraak met de gemeenschap kijken hoe het eruit moet zien", zei De Baas.
De gemeenteraad neemt op 24 juni een beslissing.
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

Middelburgse fractie dient eigen raadsvoorstel in
GroenLinks wil slavenmonument
PZC, 6.6.2002 [door Miriam van den Broek]

MIDDELBURG - GroenLinks in Middelburg blijft zich inzetten voor een gedenkteken ter herinnering aan het slavernijverleden. De fractie heeft een initiatief-raadsvoorstel ingediend. De gemeenteraad neemt in de volgende vergadering een beslissing over de komst van het monument.

Drie maanden geleden vroeg de fractie ook om een gedenkteken ter herinnering aan de slavernij. Maar het gemeentebestuur heeft volgens fractievoorzitter J. Goetheer van GroenLinks daarop niet gereageerd. Aan een inwoner van de gemeente had het college van burgemeester en wethouders eerder al laten weten hiervoor geen geld te willen geven. ,,Wij willen nog steeds dat er zo`n monument komt``, zegt Goetheer. ,,Het is iets uit de Zeeuwse geschiedenis. Wij willen niet de discussie van `goed` of `fout` voeren. Wij willen alleen dat dit stukje historie herdacht blijft. Gedenken krijgt geleidelijk aan een centralere plaats. Steeds meer mensen hechten waarde aan bezinning. Dat hebben we de laatste maanden verschillende keren gezien. En vanuit de Antilliaanse en Surinaamse gemeenschap hebben we vernomen dat behoefte bestaat aan een monument.``

Debat
Bovendien, vindt de fractie, past een dergelijk monument goed in deze periode waarin 400 jaar VOC herdacht wordt. ,,Op 15 juni is een debat in het Zeeuws Archief met als thema herdenken of vergeten en op 1 juli herdenken we de afschaffing van de drie eeuwen slavernij in Nederland.``
GroenLinks wil dat de gemeenteraad het college de opdracht geeft ,,een geschikte plaats in Middelburg te zoeken en een passend monument te realiseren dat blijft herinneren aan die zwarte periode uit onze geschiedenis``. De fractie denkt zelf aan een soort van naald op de Balans bij de oude pakhuizen van de Middelburgsche Commercie Compagnie. GroenLinks wil dat het gemeentebestuur hiervoor samenwerkt met organisaties als Stichting van Surinamers, Antillianen en Arubanen, Stichting Welzijnswerk Surinamers en Antillianen en de Stichting Monument Middelburg.
De fractie haalt in haar raadsvoorstel aan dat de West Indische Compagnie, die opgericht werd in 1621, het monopolie kreeg in de slavenhandel. Deze monopolie werd in 1730 opgeheven. De Middelburgsche Commercie Compagnie heeft zich daarna uitsluitend op de slavenhandel toegelegd. De Nederlandse slavenhandel werd in 1814 afgeschaft en in 1863 werd de slavernij in Nederlands-West-IndiŮ wettelijk verboden.
,,Het is opmerkelijk dat dit deel van de Nederlandse historie nauwelijks in de geschiedenisboekjes voorkomt``, zegt GroenLinks. ,,Zeeland heeft een vooraanstaande rol gespeeld in de geschiedenis van de slavenhandel door de Nederlanders. In het historisch besef in Zeeland is hier weinig van terug te vinden.`` Goedheer wil daarom dat het een Zeeuws monument wordt en niet alleen Middelburgs. ,,We hebben hierover contact met de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap uit Vlissingen en Goes.``
Copyright Provinciale Zeeuwse Courant

terug naar boven